Kantonrechter Haarlem oordeelt over dwangsom na OM-hack: overmachtssituatie in de zin van artikel 4:15 Awb
/De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft op 23 september 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete waarin de gevolgen van de ICT-inbreuk bij het Openbaar Ministerie van juli 2025 centraal stonden. De gemachtigde van betrokkene stelde zich op het standpunt dat de officier van justitie een dwangsom had verbeurd omdat niet tijdig op het beroepschrift was beslist, en betwistte dat de ICT-problemen een overmachtssituatie opleverden. De kantonrechter oordeelt dat de afkoppeling van de systemen van het OM van het internet in de periode van 18 juli tot en met 10 september 2025 een overmachtssituatie is in de zin van artikel 4:15 lid 2 onder c van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de beslistermijn van rechtswege met 55 dagen is opgeschort. De ingebrekestelling van 3 september 2025 was daardoor prematuur en de officier van justitie is geen dwangsom verschuldigd. Het onderliggende beroep tegen de boete voor het negeren van een rood verkeerslicht is ongegrond verklaard. De uitspraak is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBNHO:2026:12914.
De verkeersboete en de gronden van het beroep
Aan betrokkene was een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wegens het doorrijden bij een rood verkeerslicht. Namens betrokkene werd beroep ingesteld, dat op 7 mei 2026 op zitting is behandeld. De vertegenwoordiger van de officier van justitie verscheen, de gemachtigde van betrokkene niet.
De gemachtigde voerde meerdere gronden aan. Ten eerste dat betrokkene de gedraging niet had begaan en dit van meet af aan had ontkend. Ten tweede dat uit het dossier niet bleek dat de ambtenaar die de boete oplegde daartoe bevoegd was, omdat het nummer van de akte van beëdiging in het zaakoverzicht ontbrak. Ten derde dat de officier van justitie een dwangsom had verbeurd en de binnengekomen ingebrekestelling ten onrechte als prematuur had aangemerkt. Op dat laatste punt stelde de gemachtigde dat het beroep op opschorting van de beslistermijn wegens overmacht te summier was onderbouwd, en dat het OM zelf een verwijt viel te maken voor de problemen in de ICT-voorzieningen per 17 juli 2025, zodat van overmacht geen sprake was en de beslistermijn niet was opgeschort.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie had voorafgaand aan de zitting verzocht de zaak aan te houden in afwachting van het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op hoger beroepen die het CVOM in vergelijkbare zaken had ingesteld. De kantonrechter wees dat aanhoudingsverzoek af. Bij tussenuitspraak van 4 juni 2026 stelde de kantonrechter vragen aan de officier van justitie en hield de behandeling voor het overige aan.
De verkeersovertreding en de bevoegdheid van de verbalisant
Over de gedraging zelf oordeelt de kantonrechter dat uit de stukken, met name de verklaring van de verbalisant, voldoende blijkt dat de overtreding is verricht. In Wahv-zaken biedt de verklaring van een verbalisant op ambtseed of belofte voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging, tenzij betrokkene voldoende specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die twijfel wekken aan onderdelen van die verklaring. Een blote ontkenning volstaat daarvoor niet. De grond over de bevoegdheid van de verbalisant treft evenmin doel; de kantonrechter verwijst naar de vaste rechtspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Er is geen reden om de boete te matigen, en het beroep tegen de boete is ongegrond verklaard.
Het overmachtscriterium van artikel 4:15 Awb
Voor de dwangsomvraag hanteert de kantonrechter het toetsingskader van artikel 4:15 lid 2 onder c van de Algemene wet bestuursrecht. Voor een geslaagd beroep op overmacht moet sprake zijn van de onmogelijkheid voor een bestuursorgaan om tijdig een besluit te nemen door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten zijn toedoen en risicosfeer. Wordt aan dat criterium voldaan, dan wordt de beslistermijn van rechtswege opgeschort, zolang de overmacht duurt.
De kantonrechter stelt vast dat het OM de keuze heeft gemaakt om de beoordeling en afhandeling van beroepschriften tegen opgelegde sancties geheel te digitaliseren, en dat met die keuze het risico dat het systeem vanwege een ICT-hack moet worden stilgelegd onlosmakelijk is verbonden. Om te kunnen beoordelen of de gevolgen van de internetafsluiting geheel of grotendeels in de risicosfeer van het OM lagen, had de kantonrechter bij tussenuitspraak vragen gesteld over de kwetsbaarheid van de systemen en de getroffen voorzorgsmaatregelen tegen onbevoegd inbreken.
De feitelijke toedracht van de ICT-inbreuk
Na verleend uitstel stuurde de officier van justitie op 4 augustus 2026 een schriftelijke reactie. De gemachtigde van betrokkene kreeg gelegenheid daarop te reageren, maar deed dat niet.
Uit die reactie blijkt de volgende gang van zaken. Nadat het Nationaal Cyber Security Center op 16 juli 2025 verdacht netwerkverkeer vanuit het OM had waargenomen, is direct forensisch onderzoek gedaan. Daarbij werd vastgesteld dat onbevoegden gebruik hadden gemaakt van een zogeheten zero-day-kwetsbaarheid in de software van Citrix NetScaler, een beveiligingslek dat op dat moment nog niet bekend was bij de leverancier en waarvoor nog geen beveiligingsupdate beschikbaar was. Volgens de reactie was geen sprake van het niet tijdig doorvoeren van beveiligingsupdates. Naast het OM zijn ook andere kritieke organisaties via dezelfde kwetsbaarheid getroffen. Om te voorkomen dat onbevoegden zich verdergaande toegang tot zeer gevoelige informatie zouden verschaffen, besloot het College van procureurs-generaal op 17 juli 2025 omstreeks 20.00 uur de eigen systemen volledig los te koppelen van het internet. Een ander alternatief was op dat moment niet voorhanden, omdat door het ontbreken van informatie de omvang en de gevolgen niet konden worden ingeschat. Door de afkoppeling was het registratiesysteem voor de Wahv-beroepen, MAPS, niet toegankelijk.
Nadat het forensisch onderzoek was afgerond, is het OM gefaseerd weer op het internet aangesloten. Die gefaseerde benadering was volgens de reactie nodig vanwege de complexe informatiestructuur binnen de strafrechtsketen en de volgorde waarin de systemen moesten worden opgestart. Omdat de systemen en applicaties van het OM zijn gekoppeld aan die van ketenpartners, moest de heraansluiting met alle ketenpartners worden afgestemd. De reactie beschrijft in drie fasen hoe het CVOM weer werd aangesloten en met welke beperkingen de medewerkers in die periode te maken hadden. De werkzaamheden die wel mogelijk waren, waaronder het houden van hoorzittingen en het opvragen van stukken, zijn verricht. De scan-straat kwam op 27 augustus 2025 weer beschikbaar, waarna binnen veertien dagen de 20.000 tot 25.000 binnengekomen poststukken zijn ingescand en in dossiers gevoegd. Vanaf 11 september 2025 kon weer inhoudelijk op zaken worden beslist.
Het oordeel over de overmachtsperiode
De kantonrechter oordeelt dat de officier van justitie hiermee afdoende heeft onderbouwd dat de ICT-inbreuk van 16 en 17 juli 2025 buiten zijn toedoen en risicosfeer lag. Onbevoegden maakten gebruik van een tot dan toe onbekende kwetsbaarheid waarvoor nog geen beveiligingsupdates beschikbaar waren, en de afkoppeling van het internet was in de gegeven situatie noodzakelijk om de integriteit en vertrouwelijkheid van de informatievoorziening te beschermen. De kantonrechter ziet geen reden te twijfelen aan de mededeling dat eerdere beveiligingsupdates steeds tijdig zijn doorgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat het OM de inbreuk had kunnen zien aankomen of bij anders handelen had kunnen voorkomen, en evenmin dat het OM vooraf met redelijke inspanningen had kunnen zorgen voor beschikbaarheid van dossiers na de calamiteit. Daarmee staat volgens de kantonrechter vast dat op en na 18 juli 2025 sprake was van een overmachtssituatie.
De kantonrechter acht verder aannemelijk dat steeds met de grootste spoed is gewerkt om een einde te maken aan die situatie, zodat de gehele periode van 18 juli tot en met 10 september 2025 als overmachtsperiode kan worden aangemerkt. De beslistermijn is daarmee op grond van artikel 4:15 lid 2 onder c van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege opgeschort met 55 dagen.
De premature ingebrekestelling en de dwangsom
De beslistermijn in deze zaak was op 18 juli 2025 nog niet verstreken en is opgeschort tot 11 september 2025. De ingebrekestelling van de gemachtigde dateert van 3 september 2025 en is dus voor het einde van de beslistermijn verzonden. Een ingebrekestelling op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht kan pas worden gedaan nadat de beslistermijn is verstreken; een eerder verzonden ingebrekestelling is prematuur en doet geen dwangsom ontstaan. De kantonrechter oordeelt dat de officier van justitie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is.
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af en bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene geen dwangsom verschuldigd is.
Achtergrond en samenhangende zaken
De vertegenwoordiger van de officier van justitie had gewezen op hoger beroepen die het CVOM in vergelijkbare zaken bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aanhangig heeft gemaakt. De kantonrechter heeft het verzoek om de behandeling aan te houden in afwachting van die procedures afgewezen en zelf op de dwangsomvraag beslist. Tegen de onderhavige uitspraak staat op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep open bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen zes weken na de dag van toezending, waarbij hoger beroep in beginsel alleen mogelijk is als de boete op meer dan € 110 is bepaald.
Afsluiting
De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft de ICT-inbreuk bij het Openbaar Ministerie in de periode van 18 juli tot en met 10 september 2025 aangemerkt als een overmachtssituatie in de zin van artikel 4:15 lid 2 onder c van de Algemene wet bestuursrecht, met opschorting van de beslistermijn van rechtswege met 55 dagen als gevolg. De ingebrekestelling van 3 september 2025 is daardoor prematuur bevonden en de officier van justitie verbeurt geen dwangsom; het beroep tegen de verkeersboete is ongegrond verklaard. Het CVOM heeft in vergelijkbare zaken hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en tegen deze uitspraak staat eveneens hoger beroep open bij dat hof.
