Jaarverslag Rechtspraak 2025: strafrechtcijfers, doorlooptijden en voorbereiding op het NWvSv
/Op 23 april 2026 publiceerde de Raad voor de rechtspraak het Jaarverslag 2025. De Rechtspraak behandelde vorig jaar bijna 1,5 miljoen zaken, waarvan een substantieel deel binnen het strafrecht. Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk bevat het verslag een aantal relevante signalen: de werkvoorraad strafzaken nam fors toe, de doorlooptijdnormen werden in het strafrecht opnieuw breed niet gehaald, de ICT-inbreuk bij het Openbaar Ministerie zette de keten onder druk, en bij één van de gerechten werd een intern fraudegeval geconstateerd. Daarnaast rapporteert de Raad over de voorbereiding op het Nieuw Wetboek van Strafvordering (NWvSv) dat op 1 april 2029 in werking treedt. In deze blog worden de belangrijkste onderdelen voor de strafrechtspraktijk op een rij gezet.
Strafzaken in cijfers
Het totale aantal strafzaken bij de rechtbanken bleef in 2025 vrijwel gelijk aan 2024. Onder strafzaken vallen niet alleen hoofdzaken, maar ook nevenproducten zoals ontnemingsvorderingen en rekesten. Het aantal hoofdstrafzaken daalde bij de rechtbanken met vier procent tot ongeveer 83.000. Opvallend is dat het aantal ontnemingsvorderingen afnam met 24 procent tot 710 zaken, een forse daling die voor de financieel-strafrechtelijke praktijk direct relevant is. Het aantal bijzondere raadkamerzaken steeg daarentegen met zes procent, net als de bijzondere EK/MK-zaken (enkelvoudige en meervoudige kamerzaken) die met vijf procent toenamen. Deze categorie omvat onder meer verlenging of beëindiging van tbs, de PIJ-maatregel en vorderingen van het OM. Bij de gerechtshoven kwamen circa 14.000 hoofdstrafzaken binnen, vergelijkbaar met 2024.
De ontwikkeling van de werkvoorraad is minder rustig dan deze cijfers doen vermoeden. Bij de rechtbanken groeide de voorraad strafzaken van 87.000 eind 2024 naar 109.000 eind 2025, een stijging die ruim boven de algemene voorraadtoename van acht procent uitkomt. Bij de gerechtshoven bleef de strafvoorraad stabiel op circa 20.000 zaken. Ook financieel-economisch bezien valt de productgroep strafrecht op: de gerealiseerde productgroepprijs bij rechtbanken bedroeg in 2025 EUR 1.116,84 tegenover een afgesproken prijs van EUR 1.065,30, een overschrijding van 4,84 procent. Bij de gerechtshoven was de overschrijding nog aanzienlijk groter (EUR 2.444,24 gerealiseerd tegenover EUR 1.756,52 afgesproken, 39,15 procent), wat duidt op een toegenomen bewerkelijkheid van strafzaken in hoger beroep.
Doorlooptijden onder druk
De prestaties op doorlooptijden vormen het meest in het oog springende onderdeel voor de strafrechtpraktijk. Bij de rechtbanken stroomde in 2025 slechts 33 procent van de strafzaken binnen de genormeerde doorlooptijd uit, identiek aan 2024 en lager dan in 2023 (37 procent). Bij de gerechtshoven daalde dit percentage zelfs van 25 naar 23 procent. Daarmee presteert het strafrecht op dit punt structureel slechter dan de meeste andere rechtsgebieden, waar de Rechtspraak over de gehele linie juist een verbetering zag van 55 naar 59 procent.
Bij de ketennormen strafrecht is het beeld gemengd. Voor ernstige verkeersmisdrijven werd de streefnorm van 85 procent vonnis binnen 90 dagen opnieuw niet gehaald (83 procent). Voor ernstige zedenmisdrijven lag het percentage op 72 procent, tegen een norm van 70 procent. Voor jeugdzaken afgedaan door de meervoudige kamer werd slechts 28 procent binnen 180 dagen afgerond, wat ver onder de norm van 70 procent ligt en bovendien een verslechtering is ten opzichte van 38 procent in 2024. Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk is ook de categorie hoger beroep relevant: van alle hogerberoepszaken voldeed slechts 68 procent aan de inzendtermijn van vier maanden, terwijl de norm 100 procent is. Bij artikel 12 Sv-zaken, de beklagprocedure tegen het niet-vervolgen, haalde de strafrechter slechts 14 procent de beslistermijn van 180 dagen (norm: 90 procent). Dit percentage is door de jaren heen nauwelijks verbeterd en blijft daarmee een hardnekkig knelpunt in de rechtsbescherming tegen sepotbeslissingen.
Specifiek bij het strafrecht wijst de Rechtspraak erop dat de ICT-inbreuk bij het Openbaar Ministerie in 2025 effect heeft gehad op de doorlooptijden en op de registratie daarvan. Het OM koppelde op 17 juli 2025 de interne systemen los van het internet na berichten van het Nationaal Cyber Security Centrum over kwetsbaarheden in Citrix-systemen. Volgens een brief van de minister van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer waren de OM-systemen van juli tot en met 25 september 2025 offline, met verstoringen in de werkprocessen van alle organisaties in de strafrechtketen als gevolg. De Rechtspraak spande zich vanaf het begin van de verstoring in om zittingen door te laten gaan, waarbij het OM vorderingen schriftelijk aanleverde en verschillende gerechten alternatieve werkwijzen invoerden, zoals het printen van stukken.
Voorbereiding op het Nieuw Wetboek van Strafvordering
Een belangrijk deel van het jaarverslag gaat over de voorbereiding op het NWvSv. De inwerkingtredingsdatum is vastgesteld op 1 april 2029. De Tweede Kamer heeft op 1 april 2025 de eerste twee vaststellingswetten (Boeken 1 tot en met 8) aangenomen, waarna de Eerste Kamer op 24 februari 2026 instemde. De Rechtspraak adviseerde in 2025 ook over de Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering en over een aantal onderliggende algemene maatregelen van bestuur. In september 2025 heeft het programmateam van de Rechtspraak leden van de Eerste Kamer geïnformeerd over de zogenoemde 'beweging naar voren', bedoeld om zaken beter voorbereid bij de zittingsrechter te krijgen ter verbetering van de kwaliteit van de zitting en de doorlooptijden.
Het Studiecentrum Rechtspleging (SSR) heeft in 2025 een opleidingsplan vastgesteld om rechters en juridische medewerkers per april 2029 voor te bereiden op het nieuwe wetboek. Ook intern bij de Rechtspraak zijn eerste wetgevingsberichten, aanpassingen van bouwstenen en sjablonen voorbereid, en staat bijstelling van juridische modellen, werkprocessen en handreikingen in de steigers. De Rechtspraak benadrukt in het jaarverslag daarnaast opnieuw de wenselijkheid van een tijdelijke beleidsluwte richting het ministerie van JenV en de Tweede Kamer. De ICT-inbreuk bij het OM heeft de zorg aangewakkerd of de ketensystemen per april 2029 gereed zullen zijn; dit thema kwam ook uitdrukkelijk aan de orde in het debat in de Eerste Kamer, waar enkele senatoren waarschuwden dat bij het niet tijdig gereed zijn van de ICT de invoering mogelijk moet worden uitgesteld.
Wetsvoorstellen die raken aan strafrechtelijke grondrechten
De Raad voor de rechtspraak wijst in het jaarverslag 2025 op een aantal wetsvoorstellen waarbij mogelijke spanning met grondrechten is gesignaleerd, vooral in het strafrecht. Als voorbeeld noemt de Raad het initiatiefwetsvoorstel Wet zelfstandig gebiedsverbod ter bescherming van slachtoffers en nabestaanden. Het voorstel introduceert een nieuw artikel 38aa Sr op grond waarvan de rechter, op vordering van het OM, een zelfstandig gebiedsverbod kan opleggen aan daders van ernstige gewelds-, zeden- en levensdelicten. Overtreding wordt afzonderlijk strafbaar gesteld in een nieuw artikel 38ab Sr. Het verplichte karakter van het gebiedsverbod en de uitgebreide omvang ervan zouden volgens de Raad voor de rechtspraak tot een ernstige inbreuk op de grondrechten van veroordeelden kunnen leiden. Een beperking van grondrechten uit de Grondwet en internationale mensenrechtenverdragen dient op grond van vaste jurisprudentie te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en een permanent gebiedsverbod zonder periodieke rechterlijke toets is volgens eerdere beleidsstukken juridisch problematisch.
Het jaarverslag bevat verder een bredere observatie die voor het bijzonder strafrecht relevant is. De Raad geeft aan dat de kwaliteit van het wetgevingsproces onder druk staat en dat het aantal wetgevingsadviezen is gestegen van 43 in 2024 naar 73 in 2025, zoals onder meer door ANP is bericht. De Raad signaleert dat adviestermijnen in een aantal gevallen zeer kort waren, soms slechts één dag, en noemt dit in het jaarverslag onverantwoord kort. Voor de strafrechtspraktijk betekent dit dat advisering over strafvorderlijke en materieel-strafrechtelijke wetgeving mogelijk onder dezelfde druk komt te staan.
Eerder gesignaleerde strafrechtelijke knelpunten
De Raad herhaalt in 2025 zijn signaal over artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht, de gedragsbeïnvloedende maatregel voor jeugdigen. Het eerder in jaarverslagen 2023 en 2024 gesignaleerde knelpunt rond de complexiteit en onduidelijkheden van deze maatregel is volgens de Raad nog steeds actueel. Indien een jeugdige zich niet aan een gedragsbeïnvloedende maatregel houdt, zijn er niet alleen onduidelijkheden per traject, maar is het ook onhelder wanneer voor welk type terugmelding moet worden gekozen. Ook voor de bijzonder-strafrechtpraktijk, waar jeugdigen een relatief kleine maar juridisch gecompliceerde categorie vormen, blijft dit een aandachtspunt.
Intern fraudegeval bij een gerecht
In de paragraaf over risico's en beheersmaatregelen meldt de Raad voor de rechtspraak dat bij een individueel gerecht een fraudegeval aan het licht is gebracht. Volgens het jaarverslag heeft een medewerker in de bedrijfsvoering over een langere periode onrechtmatig middelen aan de Rechtspraak onttrokken. De Rechtspraak heeft onderzoek gedaan naar de mogelijke organisatiebrede gevolgen, intern op het fraudegeval gereflecteerd en maatregelen genomen om de administratieve processen en interne beheersing te verbeteren. Het jaarverslag vermeldt niet om welk gerecht het gaat, welk bedrag gemoeid is met de onttrekkingen of of er aangifte is gedaan. Uit publiek toegankelijke bronnen zijn hierover op het moment van publicatie van deze blog geen verdere gegevens beschikbaar. Of deze zaak strafrechtelijke opvolging krijgt, is uit het jaarverslag niet af te leiden.
De accountantsverklaring in hoofdstuk 9 vermeldt dat bij de controle van de jaarrekening standaard wordt beoordeeld op het risico van afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten, waarbij het risico op fraude groter is omdat daarbij sprake kan zijn van samenspanning. Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk illustreert dit dat ook binnen instellingen van de strafrechtketen zelf het financiële fraudethema speelt, en dat interne beheersing van geldstromen en scheiding van functies een blijvende uitdaging is.
Economisch bestuursrecht: de rol van het CBb
Hoewel het economisch bestuursrecht buiten het strikte kader van het strafrecht valt, raakt het aan de financieel-economische strafrechtpraktijk waar het gaat om bestuurlijke boetes, tuchtzaken en marktmisbruik. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) is de hoogste rechter op het gebied van economisch bestuursrecht en hoger beroep in specifieke wetten. In 2025 daalde het aantal inkomende zaken bij het CBb met tien procent tot circa 1.050, voornamelijk door een verdere daling van TVL-gerelateerde zaken. Tegelijkertijd haalde het CBb slechts negen procent van de zaken binnen de genormeerde doorlooptijd, een laag percentage dat volgens het jaarverslag samenhangt met de grote aantallen TVL-zaken die de afgelopen jaren voorrang kregen op reguliere zaken. De laatste TVL-zaken zijn medio 2025 uitgestroomd, en de verwachting is dat de doorlooptijden in 2026 verbeteren.
Afsluiting
Het Jaarverslag Rechtspraak 2025 laat voor de strafrechtpraktijk een gemengd beeld zien. De instroom van hoofdstrafzaken is stabiel tot licht dalend, maar de werkvoorraad bij de rechtbanken groeit aanzienlijk en de doorlooptijden blijven voor het strafrecht achter bij andere rechtsgebieden. De ICT-inbreuk bij het Openbaar Ministerie heeft in 2025 onmiskenbaar invloed gehad op de keten, waarbij zowel de Rechtspraak als het OM noodprocessen hebben ingezet om strafzittingen doorgang te laten vinden. De voorbereiding op het Nieuw Wetboek van Strafvordering, dat op 1 april 2029 in werking treedt, neemt binnen de Rechtspraak een prominente plek in, zowel wetgevingstechnisch als in opleiding en bedrijfsvoering. De door de Raad gesignaleerde spanning tussen nieuwe strafrechtelijke wetgeving en grondrechten, en de korte adviestermijnen, zijn signalen die in de parlementaire behandeling de komende jaren verder hun weg zullen vinden. De komende jaren zullen uitwijzen hoe deze ontwikkelingen zich verder uitkristalliseren in de cijfers, de jurisprudentie en de dagelijkse strafrechtpraktijk.
