Inlener aansprakelijk ondanks verklaring betalingsgedrag

Gerechtshof Amsterdam 4 maart 2013, LJN BZ5141

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder als feit 1 en 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en met een proeftijd van 2 jaren en tot een geldboete van € 20.000,00 subsidiair 235 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 mei 2007, de verdachte vrijgesproken van het als feit 1 en 2, primair ten laste gelegde, het als feit 2, subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard en geen straf of maatregel opgelegd.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 juli 2010 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het als feit 2, subsidiair ten laste gelegde gegeven beslissingen en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Feiten

De verdachte heeft zich - als feitelijk leidinggevende - schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste belastingaangifte. De B.V. heeft in oktober 1998 optierechten verleend aan haar werknemers en bestuurders maar deze niet bij de aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen van die maand betrokken. In zoverre is sprake van een onjuiste aangifte. Er is immers aangifte gedaan voor een te laag bedrag.

Voorts staat vast dat de bedoelde optierechten alsnog zijn verwerkt in de aangifte loonbelasting over het tijdvak december 1998, twee maanden te laat.

Beroep op inkeerregeling

De verdachte heeft erkend dat over het tijdvak oktober 1998 een onjuiste aangifte is gedaan, maar daarbij een beroep gedaan op de ‘inkeerbepaling’ van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, als gevolg waarvan aan het openbaar ministerie geen recht op strafvervolging meer zou toekomen.

Het hof overweegt dat voor een geslaagd beroep op de inkeerbepaling is vereist dat alsnog een juiste aangifte wordt gedaan, dan wel, alsnog juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen worden verstrekt. Daarnaast dient zulks op een zodanige wijze te geschieden dat het voor de belastingdienst redelijkerwijs duidelijk is dat de eerdere onjuiste aangifte of verstrekte informatie daarmee wordt gerectificeerd. Met andere woorden, het alsnog voldoen aan de fiscale verplichtingen moet ook als zodanig kenbaar worden gemaakt aan de fiscus (vgl. HR 22 mei 2001, NJ 2001/699).

Het hof stelt voorop dat door de B.V. over het tijdvak december 1998 eveneens een onjuiste aangifte loonbelasting is gedaan. De in het geding zijnde optierechten zijn immers toegekend in oktober en niet in december. In december is dus aangifte gedaan voor een te hoog bedrag, zodat over het tijdvak december (in zoverre) eveneens een onjuiste aangifte is gedaan. De aangifte over december 1998 kan aldus, anders dan de verdachte heeft gesteld, niet worden aangemerkt als een suppletieaangifte over het tijdvak oktober maar slechts als een (onjuiste, want te hoge) aangifte over het tijdvak december 1998.

Evenmin zijn bij de aangifte over het tijdvak december 1998 alsnog juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 februari 2013 heeft de medeverdachte bevestigd dat bij de aangifte over december 1998 geen nadere inlichtingen zijn verstrekt en over deze aangifte ook geen overleg heeft plaatsgevonden met de belastingdienst. Voor zover de aangifte over december 1998 was bedoeld ter correctie van de onjuiste aangifte in oktober 1998, is die intentie niet duidelijk kenbaar gemaakt aan de belastingdienst.

Nu niet alsnog de juiste aangifte over oktober 1998 is gedaan en evenmin alsnog juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen zijn verstrekt, faalt het beroep op de inkeerbepaling.

Het hof voegt hier aan toe dat verdachte door geen verbeterde aangifte in te dienen voor oktober 1998 en de inspecteur daarover niet nader te informeren, aan de belastingdienst controlemogelijkheden heeft onthouden, terwijl uitoefening van controle door de belastingdienst - gelet op de aan verandering onderhevige fiscale regelgeving ten aanzien van optieverlening destijds - in de rede zou hebben gelegen.

Het had op de weg van de verdachte en de medeverdachte gelegen om de belastingdienst actief en in voldoende mate te informeren over de onjuiste aangifte over het tijdvak oktober 1998 en de aard en omvang van de aan te brengen correctie, door middel van een suppletieaangifte over oktober 1998, een bezwaar tegen de gedane aangifte, een verzoek om naheffing, of anderszins.

Het hof concludeert tot verwerping van het verweer en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.  

Strafoplegging

Het hof overweegt dat het bewezen verklaarde feit in 1998, derhalve bijna 15 jaren geleden, heeft plaatsgevonden. Bovendien is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 van het EVRM ruimschoots overschreden, niet alleen bij de behandeling van het beroep in cassatie door de Hoge Raad maar ook na terugwijzing van de zaak naar het hof. Gelet op deze omstandigheden, en in aanmerking genomen dat zich geen incidenten meer hebben voorgedaan, is het hof van oordeel dat het belang van normmarkering door verdachtes strafvervolging en berechting in toereikende mate is gediend.

Het hof bepaalt dan ook dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF