Ingesteld verzet kan niet worden ingetrokken door alsnog aan strafbeschikking te voldoen

Hoge Raad 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220

Het hof heeft de beslissing van de kantonrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van het door de verdachte ingestelde verzet bevestigd omdat het – kort gezegd – van oordeel is dat de daarop volgende vrijwillige betaling van het boetebedrag kan gelden als het doen van afstand van de bevoegdheid tot het doen van verzet.
 

Middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat het tegen de strafbeschikking gedane verzet niet-ontvankelijk is.
 

Beoordeling Hoge Raad

In art. 257e, eerste lid, Sv wordt het doen van het verzet geregeld. Daarin is onder meer bepaald dat het verzet niet kan worden gedaan indien vrijwillig aan de strafbeschikking is voldaan dan wel na schriftelijke afstand van de bevoegdheid tot het doen van verzet. Intrekking van een gedaan verzet wordt mogelijk gemaakt in het achtste lid; daarbij is niet bepaald dat intrekking kan geschieden door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat een eenmaal gedaan verzet niet vervalt enkel door vrijwillig te voldoen aan de strafbeschikking. Zulks komt ook overeen met de regeling over intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen in art. 453 e.v. Sv.

Het andersluidende oordeel van het Hof is dus onjuist. Het middel is gegrond.
 

Conclusie AG: contrair

7. De kwestie die hier in cassatie wordt opgeworpen, is van belang voor de praktijk. Het gaat daarbij immers om de vraag of met het vrijwillig voldoen aan de strafbeschikking nadat verzet is gedaan, eenzelfde situatie in het leven wordt geroepen als bij een vrijwillige voldoening die aan de mogelijkheid tot het doen van verzet voorafgaat. In het laatstgenoemde geval mag het ervoor worden gehouden dat de verdachte zich bij de strafbeschikking heeft neergelegd en zal hij derhalve, indien hij niettemin verzet instelt, daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat daarvoor grond is blijkt niet alleen uit de wetsgeschiedenis,1 maar ook uit de tekst van art. 257e, eerste lid, Sv zelf: door vrijwillige voldoening wordt afstand gedaan van het recht op het doen van verzet. Volgens de wetgever spreekt uit die handeling namelijk dat de verdachte daarvan de gevolgen overziet en zich derhalve bij de strafbeschikking neerlegt. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever daarbij enkel het oog had op de vrijwillige betaling die aan de mogelijkheid tot het doen van verzet voorafgaat. Dat neemt niet weg dat de wetgever in het achtste lid van art. 257e Sv de verdachte na het gedane verzet de bevoegdheid heeft gegeven om tot aan de aanvang van de behandeling ervan dit rechtsmiddel in te trekken. Aan de intrekking kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen en een daarvan kan vanzelfsprekend zijn – wettekst en wetsgeschiedenis verzetten zich daar niet tegen – dat de verdachte (alsnog) vrijwillig betaalt.

8. Hoe nu wanneer de verdachte aan zijn betalingsverplichting uit hoofde van de strafbeschikking heeft voldaan, maar niettemin tegen de strafbeschikking verzet doet of het reeds gedane verzet niet intrekt en de zaak ‘laat voorkomen’? Ik meen dat alsdan voor de rechter een taak is weggelegd om met betrekking tot deze gang van zaken duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of gezegd kan worden dat de verdachte vrijwillig heeft betaald of niet. Is sprake van vrijwilligheid, dan brengt zulks mee dat de verdachte afstand doet van zijn recht om het verzet voort te zetten. Een niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn verzet is dan een beslissing die zonder meer in de geest van de wet en de wetsgeschiedenis past.2 Door het doen van verzet brengt de verdachte immers tot uitdrukking dat hij het niet eens is met de strafbeschikking en daarvan is bij vrijwillige betaling nu juist geen sprake (meer).

9. In het andere geval – betaling, maar niet vrijwillig – is er, lijkt mij, plaats voor nuancering en ligt het op de weg van de rechter om te onderzoeken of de verdachte wellicht naar objectieve maatstaven verontschuldigbaar in de veronderstelling verkeerde dat hij ongeacht het doen van verzet gehouden was tot betaling (denk aan aanmaningen met telkens een verhoging van het boetebedrag) en om die reden reeds netjes aan de strafbeschikking heeft voldaan. Doet zich zo’n dwaling niet voor, dan zal het verzet weer door een niet-ontvankelijkheid kunnen worden afgedaan. Indien echter de verontschuldigbaarheid wordt aanvaard, is er mijns inziens ruimte voor de beslissing om het verzet op de voet van art. 257f Sv te behandelen.

10. Terug naar het middel. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 16 september 2016 heeft de raadsman onder meer het volgende naar voren gebracht:

“Mijn cliënt weet van deze zitting. Hij komt niet in verband met de reiskosten.

(…)

Er ontbreken diverse stukken die kennelijk niet zijn te achterhalen. Mijn cliënt kwam bij mij en had toen een aantal andere beschikkingen bij zich. In verband met die strafbeschikkingen vroeg ik bij het CJIB een overzicht op en die heb ik ook ontvangen. Naar aanleiding van de gegevens in dat overzicht heb ik namens cliënt in onderhavige zaak verzet ingesteld. Ik verwijs naar de inhoud van het verzetschrift. Na het instellen van verzet heeft mijn cliënt er zelf voor gekozen om te betalen. Hij had de beschikking weliswaar niet ontvangen maar hij zag dat sprake was van een verhoging. Hij was bang dat, als hij niet zou betalen, er nog meer verhogingen zouden volgen. Hij betaalde, pas nadat het verzet was ingesteld.

U, voorzitter, vraagt of mijn cliënt aan de beschikking heeft voldaan na daarover met mij overleg te hebben gepleegd. Dat kan ik mij niet herinneren. Hij heeft - voor zover ik weet - die overboeking zelf gedaan. U vraagt hoe mijn cliënt kon weten op welke wijze hij kon betalen. Voor zover ik weet staat er geen rekeningnummer op het overzicht van het CJIB maar ik denk dat dat rekeningnummer gemakkelijk kan worden achterhaald via de website. Het kenmerk van de strafbeschikking stond op het overzicht van het CJIB.

Ik weet niet of mijn cliënt zelf op de website van het CJIB heeft gekeken.

De voorzitter vraagt of de raadsman van mening is dat in de onderhavige zaak sprake is van bijzondere omstandigheden, nu uit de toelichting op artikel 257e lid 1 van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat het voldoen aan de strafbeschikking in beginsel impliceert dat afstand wordt gedaan van de mogelijkheid tot verzet.

De raadsman voert het woord tot verdediging - zakelijk weergegeven — als volgt:

In de wet wordt uitgegaan van de situatie dat aan de beschikking wordt voldaan terwijl nog geen verzet is ingesteld. In onderhavige zaak is verzet ingesteld terwijl nog geen beschikking was ontvangen en heeft mijn cliënt de boete veiligheidshalve maar betaald.

Mijns inziens betekent het voldoen aan een strafbeschikking nadat verzet is ingesteld, niet dat het rechtsmiddel daarmee wordt ingetrokken. Het doen van afstand is iets anders dan het intrekken van een rechtsmiddel. De voorzitter vraagt op welke wijze volgens mij verzet kan worden ingetrokken. Ik zou menen dat dat gebeurt door een briefje naar het CVOM te sturen. In elk geval staat nergens in de wet dat het rechtsmiddel wordt geacht te zijn ingetrokken wanneer alsnog aan de beschikking is voldaan.

In feite voorziet de wet niet in een situatie als deze.”

11. Gezien de hierboven onder 4 weergegeven overwegingen is het hof kennelijk van oordeel dat de verdachte gezegd kan worden vrijwillig te hebben betaald en dat daarbij van verontschuldigbaarheid geen sprake is. Dat oordeel acht ik in het licht van hetgeen de raadsman te dien aanzien naar voren heeft gebracht – ik doel daarbij met name ook op “kan ik mij niet herinneren”, “voor zover ik weet”, “ik denk” en “ik weet niet of” – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het hof daarbij betrokken heeft dat de verdachte op het moment van voldoening bijstand had van een advocaat en het daaraan betekenis kon geven gelijk het heeft gedaan. Voorts acht ik het daarop berustende oordeel van het hof – inhoudende dat de opvatting dat het vrijwillig voldoen aan de strafbeschikking (na verzet) niet kan gelden als het doen van afstand daartoe, geen steun vindt in de wet of de wetsgeschiedenis – niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en evenmin onbegrijpelijk. Daarbij zij opgemerkt dat het hof de vrijwillige voldoening blijkens zijn overwegingen terecht niet heeft aangemerkt als een intrekking van het verzet.

12. Maar ook als over het vorengaande anders moet worden gedacht, kan het middel niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang daarbij. Dan kan immers worden gezegd dat het hof niet anders dan tot een niet-ontvankelijkverklaring van het verzet had kunnen komen op de andere door de advocaat-generaal gestelde grond die volgens het hof geen verdere bespreking behoefde, nu: - het boetebedrag minder is dan € 340,00; - het boetebedrag is opgelegd voor een overtreding die minder dan vier maanden voor toezending is begaan (de overtreding dateert van 13 september 2014, de strafbeschikking is op 3 november 2014 verzonden); - de strafbeschikking is toegezonden aan het adres dat de verdachte bij zijn aanhouding heeft opgegeven; - de verdachte het verzet binnen zes weken na 3 november 2014 had moeten doen; - namens de verdachte door zijn advocaat pas op 29 januari 2015 verzet is ingesteld. Dat het hof heeft vastgesteld dat niet blijkt wanneer de verdachte de strafbeschikking heeft ontvangen, maakt de slotsom in dit verband niet anders. Wanneer de uitreiking van het afschrift van de strafbeschikking niet in persoon plaatsvindt, stelt art. 257d, tweede lid, Sv, enkel de eis dat het afschrift wordt toegezonden aan het BRP-adres of, indien de verdachte niet in de BRP als ingezetene staat ingeschreven, aan zijn woon- of verblijfplaats van de verdachte, dan wel – en daarvan is in de onderhavige zaak sprake – aan het adres dat de verdachte bij zijn eerste verhoor in de strafzaak heeft opgegeven.

13. Het middel faalt mijns inziens.
 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF