Vrijspraak voor alle verdachten in NS-zaak

NS Groep NV, 5 (voormalig) bestuurders van diverse vervoersbedrijven en een directeur van een adviesbureau, hebben zich niet schuldig gemaakt aan omkoping en valsheid in geschrifte. Dat heeft de rechtbankOost-Brabant geoordeeld. Het Openbaar Ministerie (OM) verdacht 5 van hen ook van schending van de geheimhoudingsplicht, maar in die vervolging verklaart de rechtbank het OM niet-ontvankelijk.
 

Achtergrond

De provincie Limburg schreef in 2014 een openbare aanbesteding uit voor de verlenging van de concessie van het openbaar vervoer in Limburg. Deze concessie ging over het openbaar vervoer in Limburg met uitzondering van de intercitytreinen van Nederlandse Spoorwegen (NS). Dat openbaar vervoer werd tot op dat moment verzorgd door Veolia. Naast Veolia en Arriva schreef ook NS zich in op de aanbesteding. Dat gebeurde door haar dochtermaatschappij Abellio Limburg BV. De inschrijving werd voorbereid door Qbuzz BV, ook een onderneming van NS.

In 2015 werd de concessie aan NS gegund. Arriva en Veolia tekenden hiertegen bezwaar aan. Er zouden bij de inschrijving onregelmatigheden zijn gepleegd door NS. Daarop trok de provincie Limburg op 2 juni 2015 de gunning aan NS in en werd de concessie aan Arriva gegund.

NS stelde zelf een onderzoek in naar de vermeende onregelmatigheden. De onderzoekers stuitten inderdaad op aanwijzingen van mogelijke interne onregelmatigheden rond het aanstellen van een voormalig regiodirecteur van Veolia bij Qbuzz en het door hem delen van informatie van Veolia met Qbuzz en Abellio Limburg. 

Na bekendmaking van de onderzoeksresultaten op 28 april 2015 stelde NS een aantal bestuurders van NS, Abellio en Qbuzz op non-actief en/of ontsloeg ze. 

Het OM startte een strafrechtelijk onderzoek en vervolgde betrokkenen voor omkoping, valsheid in geschrifte en schending van bedrijfsgeheimen van Veolia.
 

Verdenking omkoping en valsheid in geschrifte

Voor wat betreft de verdenkingen van omkoping en valsheid in geschrifte oordeelt de rechtbank dat er geen onduidelijkheid bestaat over de intentie van NS om de openbare aanbesteding binnen te halen en was duidelijk dat daarbij behoefte was aan iemand met regionale kennis. Besloten werd de toenmalige regiodirecteur van Veolia te benaderen om af te tasten of hij naar NS wilde overstappen. Dat bleek het geval. De directeur was echter gebonden aan een non-concurrentiebeding. Daarop werd besloten hem op een zodanige manier werkzaamheden voor NS te laten verrichten dat naar buiten toe -en met name voor Veolia- minder zichtbaar zou zijn dat hij werkzaamheden voor de concurrent verrichtte. Daartoe werd een juridische constructie opgezet waarbij Qbuzz hem zou inhuren via een adviesbureau. Nadat het non-concurrentiebeding zou zijn geëindigd, zou hij in dienst treden als regiodirecteur van Qbuzz.

Volgens de rechtbank werd via deze constructie mogelijk het non-concurrentiebeding overtreden en kan er zelfs sprake zijn van onrechtmatig handelen van onder meer Qbuzz richting Veolia. Maar dat  betekent nog niet zonder meer dat het handelen ook strafbaar is. Daarvoor is nodig dat het handelen valt binnen een delictsomschrijving uit het wetboek van Strafrecht. En dat is hier niet het geval. Het staat partijen namelijk vrij om binnen de grenzen van de wet afspraken met elkaar te maken. Zo’n afspraak kán strafbaar zijn als hij valselijk wordt gemaakt, in strijd met de werkelijkheid en met het doel te misleiden, maar dat is hier niet aangetoond.

Voor wat betreft het verwijt van het omkopen van de voormalig directeur van Veolia, overweegt de rechtbank dat waar het gaat om het werken in strijd met het non-concurrentiebeding als het bij de omkoping bedongen doen of nalaten door de directeur, dit gebeurd is in de periode waarin hij niet meer als directeur werkte voor Veolia. Hij kan daarom ook niet worden veroordeeld voor het “doen of nalaten in zijn betrekking, te weten in de uitoefening van zijn functie als directeur van Veolia”. Dat het OM stelt dat de man ook na zijn vertrek bij Veolia verplichtingen had vanwege het non-concurrentiebeding, is volgens de rechtbankeen ontoelaatbare uitbreiding van de wettekst.

Los van de vraag of de man tijdens of na zijn contract met Veolia in strijd met zijn geheimhoudingsplicht bedrijfsvertrouwelijke informatie bekend heeft gemaakt, is volgens de rechtbank niet aangetoond dat dit te maken had met het aanbod om over te stappen naar de NS c.q. het aanbestedingsteam van Qbuzz. Uit het opsporingsonderzoek blijkt niet dat Qbuzz als tegenprestatie van hun aanbod van de directeur verwachtte dat hij bedrijfsvertrouwelijke informatie van Veolia zou delen met het aanbestedingsteam waarvan hij deel zou gaan uitmaken.
 

Verdenking schending van de geheimhoudingsplicht

De rechtbank oordeelt dat het OM niet-ontvankelijk is in de vervolging voor schending van de geheimhoudingsplicht. Dat heeft ermee te maken dat de wet eist dat voor vervolging van dit delict in de aangifte een klacht moet worden ingediend door iemand die daartoe gerechtigd is. En daarbij moet duidelijk zijn dat de aangever strafvervolging wenst. Dat is niet gebleken. Een medewerker van Veolia heeft weliswaar aangifte gedaan bij de politie, maar niet is gebleken dat zij ook gerechtigd was om klacht te doen en aan te geven dat strafvervolging gewenst was. Ook kan volgens de rechtbank niet worden vastgesteld dat Veolia een onmiskenbare bedoeling heeft gehad de wens uit te drukken dat strafvervolging wordt ingesteld. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er een rechtsgeldige klacht is ingediend door een klachtgerechtigde zoals de wet eist en dat brengt mee dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Lees hier een van de uitspraken. 

Print Friendly and PDF