Inbeslagneming bij een werkneemster van een bedrijf i.v.m. rechtshulpverzoek van Mauritius en Nederlands onderzoek

Rechtbank Dordrecht 22 oktober 2012, LJN BY4251 (gepubliceerd op 27 november 2012) Op 10 mei 2010 komt op de griffie van de rechtbank Dordrecht een klaagschrift binnen ex art. 552a Sv van de gemachtigde van Werknemer 1 verdachte.

Het klaagschrift strekt - kort gezegd - tot teruggave van op het adres van Verdachte International B.V. en Maatschappij Verdachte B.V. in beslag genomen digitale privébestanden (niet nader geduide privédocumenten en privéfoto's).

Zie voor het Ontstaan en loop van de procedureInbeslagneming bij een bedrijf i.v.m. rechtshulp en Nederlands onderzoek

Beoordeling Rechtbank

Uit het dossier, in het bijzonder het proces-verbaal dat omtrent de doorzoeking bij klaagsters is opgemaakt, en het onderzoek in raadkamer blijkt de rechtbank dat de digitale gegevens die zich bij klaagsters bevinden, kennelijk zeer omvangrijk zijn, deze digitale gegevens worden vastgelegd, de rechter-commissaris de gegevensdragers vervolgens in beslag neemt en dat bij gelegenheid van de hierna te noemen nadere selectie afdrukken worden gemaakt. Voorts blijkt daaruit dat zowel klaagsters als de officier van justitie al het voorgaande beschouwen als 'beslag', waaromtrent wordt geklaagd. Er is ook niet ex art. 552a lid 2 Sv schriftelijk verzocht om vernietiging van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking. De rechtbank beschouwt daarom al hetgeen aan haar oordeel is onderworpen thans als beslag.

De rechtbank stelt als haar oordeel voorop dat de doorzoeking bij klaagsters zowel heeft plaatsgevonden in het kader van het Mauritiaanse rechtshulpverzoek als in het kader van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank verwerpt het andersluidende verweer van klaagsters. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier en het onderzoek in raadkamer blijkt dat de officier van justitie ook in het kader van een Nederlands onderzoek heeft gevorderd dat bij klaagsters doorzoeking zou plaatsvinden. Uit het proces-verbaal dat vervolgens van deze doorzoeking is opgemaakt, volgt dat zij plaatsvindt onder leiding van de rechter-commissaris. Het betreft derhalve een doorzoeking in de zin van art. 110 (jo. art. 125i) Sv. Dat de rechter-commissaris hiertoe niet schriftelijk heeft besloten, doet daaraan niet af.

De rechtbank is van oordeel dat het beslag op rechtmatige wijze is gelegd. De rechtbank verwerpt de andersluidende verweren van klaagsters. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechter-commissaris was bevoegd om de desbetreffende voorwerpen in beslag te nemen alsmede om de desbetreffende plaats te doorzoeken ter vastlegging van aldaar op een gegevensdrager opgeslagen of vastgelegde gegevens, zulks in het belang van de waarheidsvinding respectievelijk het onderzoek, zoals in art. 94 respectievelijk 125i Sv omschreven. Hiervan was ten tijde van de doorzoeking sprake, gelet op hetgeen staat vermeld in de vorderingen van de officier van justitie, hetgeen in beslag is genomen en de enorme omvang van de datagegevens en papieren archieven. Dat de rechter-commissaris er ten tijde van de doorzoeking voor heeft gekozen om alle data vast te leggen en vervolgens op een later moment een selectie te maken, maakt dit niet anders. Dat zij dit heeft gedaan door het vastleggen in kopie getuigt slechts van zorgvuldig - proportioneel (en subsidiair) - handelen. Geen rechtsregel verzet zich er ten slotte tegen dat een redelijk vermoeden van schuld aan enig in Nederland begaan strafbaar feit voortvloeit uit feiten of omstandigheden die zijn vervat in een buitenlands rechtshulpverzoek. De omstandigheid dat uitsluitend dit aanleiding is voor Nederlands onderzoek maakt dat niet anders, noch de - niet geheel in het dossier steun vindende - omstandigheden dat het - namelijk slechts deels - om dezelfde feiten gaat en - eveneens namelijk slechts deels - om dezelfde verdachte (rechts)personen.

De rechtbank heeft hiervoor onder 3.3 overwogen dat sprake is van een doorzoeking in de zin van art. 110 (jo. art. 125i) Sv. Deze vindt op grond van art. 110 lid 2 Sv plaats onder leiding van de rechter-commissaris. Uit het proces-verbaal dat van deze doorzoeking is opgemaakt, volgt dat dit ook onder haar leiding heeft plaatsgevonden. Reeds hierom doet zich geen situatie voor die vergelijkbaar is aan die welke ter beoordeling voorlag aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in zijn uitspraak van 14 september 2010 inzake Sanoma tegen Nederland (Appl. No. 38224/03). Van schending van enige bepaling van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Klaagsters hebben betoogd dat de rechter-commissaris ten onrechte twee selecties heeft gemaakt. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank overweegt daartoe dat de doorzoeking bij klaagsters zowel heeft plaatsgevonden in het kader van het Mauritiaanse rechtshulpverzoek als in het kader van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Uit de tussenbeschikking van de rechtbank volgt niet dat het de rechter-commissaris niet vrijstond voor elk van beide gevallen een eigen selectie te maken. Hieraan staat evenmin een rechtsregel in de weg.

De rechtbank overweegt dat zij zich voorts heeft te richten naar het volgende toetsingskader. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klager. Ingevolge art. 116 lid 1 Sv doet het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, r.o. 2.8-2.10). Nu beslag is gelegd op de voet van art. 94 lid 1 (jo. 552o lid 3) Sv is in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in Mauritius (vgl. HR 12 juni 1984, NJ 1985, 173, r.o. 5.3.5) en in Nederland. De rechtbank overweegt dat zij zich voorts wat betreft het Mauritiaanse verzoek heeft te richten naar het volgende toetsingskader. Als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien het verzoek is gegrond op een verdrag - hier het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie - aan dat verzoek ingevolge art. 552k lid 1 Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, LJN ZD2927, r.o. 3.4).

De rechtbank is van oordeel dat kunnen dienen om in Mauritius en in Nederland de waarheid aan de dag te brengen in de zin van art. 94 lid 1 (jo. 552o lid 3) Sv, de volgende voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft:

  • documenten die zijn gegenereerd uit digitale bestanden en die met doorlopende nummers 001 tot en met 045 zijn opgenomen in het proces-verbaal 'Onderzoek Geselecteerde Bestanden' van de inspecteur van 20 juni 2012;
  • bijlagen 5a tot en met 5d bij het proces-verbaal 'Onderzoek Geselecteerde Bestanden' van de inspecteur van 20 juni 2012;
  • door de rechter-commissaris geselecteerde documenten die zich bevinden achter de respectieve beslaglijsten/overzichten geletterd A als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van de inspecteur van 26 juni 2012.

Voorts kunnen naar haar oordeel dienen om in Nederland de waarheid aan de dag te brengen in de zin van art. 94 lid 1:

  • documenten die zijn gegenereerd uit digitale bestanden en die met doorlopende letters 002a-002d en 016a zijn opgenomen in het proces-verbaal 'Onderzoek Geselecteerde Bestanden' van de inspecteur van 20 juni 2012.

De rechtbank overweegt daartoe dat zij in het bijzonder heeft gelet op de feiten en omstandigheden in de (aanvullende) rechtshulpverzoeken, de vordering van de officier van justitie tot doorzoeking en de inhoud van de desbetreffende voorwerpen en de beschrijving daarvan op de respectieve beslaglijsten/overzichten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat in verband met het Mauritiaanse verzoek weliswaar is gebleken van een bovengenoemde belemmering van wezenlijke aard, in dier voege dat in zeker opzicht sprake is van het geval bedoeld in art. 552l lid 1 aanhef en onder c Sv, doch dat in zoverre sprake is van dubbele vervolging en er ter zake een strafvorderlijk belang is voor een Nederlands onderzoek.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat de officier van justitie bij de behandeling van het beklag te kennen heeft gegeven van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich voor de overige in beslag genomen voorwerpen waarop het klaagschrift ziet, niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet. De rechtbank zal daarom in zoverre zonder zelf in een beoordeling van dit punt te treden op het klaagschrift beslissen.

De rechtbank concludeert derhalve dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klaagsters in beslag is genomen, voor zover het de hiervoor in 3.6.2 genoemde voorwerpen betreft. In zoverre zal zij het klaagschrift op dit punt dan ook ongegrond verklaren. Wat betreft de overige onder klaagsters in beslag genomen voorwerpen zal de rechtbank het klaagschrift zonder meer gegrond verklaren.

Klaagsters hebben verzocht om een verbod aan de rechter-commissaris de in beslag genomen voorwerpen aan de officier van justitie of de rijksrecherche te verstrekken voordat de raadkamer op de voet van art. 552p Sv daartoe verlof heeft verleend. De rechtbank verklaart het klaagschrift op dit punt ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe dat de klager/belanghebbende op grond van art. 552p lid 4 jo. 552d lid 2 Sv cassatieberoep kan instellen tegen haar beschikking. Het instellen van cassatieberoep heeft op grond van art. 557 lid 1 jo. 138 Sv schorsende werking. Aan het voorschrift dat de rechter verlof tot overdracht dient te geven, wordt immers iedere betekenis ontnomen indien de stukken reeds voorafgaande daaraan aan de verzoekende Staat worden verstrekt. Derhalve mag dit niet gebeuren voordat op het verzochte verlof onherroepelijk is beslist (vgl. HR 19 maart 2002, LJN ZD2927, r.o. 3.6).

Klaagsters hebben tijdens het onderzoek in raadkamer verzocht de officier van justitie te bevelen op geen enkele wijze gebruik te maken van de hem in het kader van het klaagschrift ter beschikking gestelde, bij klaagsters in beslag genomen stukken, totdat onherroepelijk op het klaagschrift is beslist. De rechtbank verklaart klaagsters in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank overweegt daartoe dat een beklag als bedoeld in art. 552a Sv, zoals die bepaling ook voorschrijft, schriftelijk moet worden gedaan. De wet kent niet de mogelijkheid dat een verzoek over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen mondeling wordt gedaan; in een dergelijk beklag kunnen klaagsters niet worden ontvangen (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, r.o. 2.3).

Beslissing

De rechtbank

  • verklaart klaagsters niet-ontvankelijk in hun verzoek de officier van justitie te bevelen op geen enkele wijze gebruik te maken van de hem in het kader van het klaagschrift ter beschikking gestelde, bij klaagsters in beslag genomen stukken, totdat onherroepelijk op het klaagschrift is beslist;
  • verklaart het klaagschrift ongegrond voor zover dit betrekking heeft op
  • documenten die zijn gegenereerd uit digitale bestanden en die met doorlopende nummers 001 tot en met 045 en met doorlopende letters 002a-002d en 016a zijn opgenomen in het proces-verbaal 'Onderzoek Geselecteerde Bestanden' van de inspecteur van 20 juni 2012;
  • bijlagen 5a tot en met 5d bij het proces-verbaal 'Onderzoek Geselecteerde Bestanden' van de inspecteur van 20 juni 2012;
  • door de rechter-commissaris geselecteerde documenten die zich bevinden achter de respectieve beslaglijsten/overzichten geletterd A als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van de inspecteur van 26 juni 2012.
  • een verbod aan de rechter-commissaris de in beslag genomen voorwerpen aan de officier van justitie of de rijksrecherche te verstrekken voordat de raadkamer op de voet van art. 552p Sv daartoe verlof heeft verleend;
  • verklaart het klaagschrift gegrond voor zover dit betrekking heeft op de overige onder klaagsters in beslag genomen voorwerpen, heft op het daarop gelegde beslag en gelast de teruggave van deze voorwerpen aan klaagsters;
  • verstaat dat met betrekking tot hiervoor gelaste terug te geven documenten en hardware daadwerkelijk teruggave dient plaats te vinden en dat met betrekking tot hiervoor gelaste terug te geven in omloop zijnde kopieën van de desbetreffende documenten, digitale bestanden, imageback-ups en serverfiles van digitale bestanden kan worden volstaan met vernietiging onder opmaking en toezending aan klaagsters en aan de rechtbank van een proces-verbaal daarvan door degene(n) die zich daarvan kwijt(en).

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook de uitspraak in de zaak van de werkgever

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF