Inbeslagneming bij een bedrijf i.v.m. rechtshulp van Mauritius en Nederlands onderzoek

Rechtbank Dordrecht 22 oktober 2012, LJN BY4251 (gepubliceerd op 27 november 2012) Op 5 maart 2010 komt op de griffie van de rechtbank Dordrecht een klaagschrift binnen ex art. 552a Sv van de gemachtigde van Verdachte INTERNATIONAL B.V. EN MAATSCHAPPIJ Verdachte B.V.

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de (onder haar) in beslag genomen voorwerpen, althans voor zover deze niet direct betrekking hebben op specifieke onderzoeksvragen zoals verwoord in een rechtshulpverzoek van Mauritius, en tot een verbod aan de rechter-commissaris de in beslag genomen voorwerpen aan de officier van justitie of de rijksrecherche te verstrekken voordat de raadkamer op de voet van art. 552p Sv daartoe verlof heeft verleend.

Essentie

  1. De door de OvJ gevorderde en de RC geleide doorzoeking is een doorzoeking ex art. 110/125i Sv, ook al is er geen schriftelijke beslissing van de RC.
  2. De situatie van EHRM Sanoma doet zich niet voor.
  3. Rechtmatige inbeslagneming van veel materiaal, ook al wordt later geselecteerd.
  4. Verdenking kan ontstaan door een rechtshulpverzoek.
  5. De rechtbank verklaart het klaagschrift deels gegrond, deels ongegrond.

Ontstaan en loop van de procedure 

Op 20 en 28 augustus, 24 september 2008 en 11 mei 2009 doet de Attorney-General van Mauritius (aanvullende) rechtshulpverzoeken aan Nederland.

Op 2 november 2009 vordert de officier van justitie bij de rechter-commissaris doorzoeking ter uitvoering van een rechtshulpverzoek (ex art. 552n Sv) en ter inbeslagneming van voorwerpen/vastlegging gegevens (ex art. 94 jo. 110 en 125i-125j Sv). Dit laatste wegens verdenking van art. 177 lid 1, 177a en 225 lid 1 en/of 2 Sr.

Op 25 november 2009 verricht de rechter-commissaris doorzoekingen bij klaagster, alsmede bij verdachte International B.V. en Maatschappij verdachte B.V. en werknemer 2 verdachte (verdachte c.s.).

Er worden voorwerpen in beslag genomen en gegevens vastgelegd. Verdachte International B.V. en Maatschappij Verdachte B.V.'s vestiging is geletterd A, klaagsters woning is geletterd B.

Op 5 maart 2010 vordert de officier van justitie bij het functioneel parket, ex art. 552p lid 2 Sv dat de rechtbank de in beslag genomen voorwerpen en digitale bestanden/gegevensdragers aan de (rechtshulp)officier van justitie ter beschikking stelt.

Verdachte c.s. en de officier van justitie dienen klaagschriften in ex art. 552a Sv.

De rechtbank behandelt de vordering in raadkamer van 12 mei en 9 en 27 september 2010. Op 27 september 2010 houdt zij de behandeling van de vordering aan. Zij verklaart het klaagschrift van de officier van justitie ongegrond (LJN BN9451).

Op 11 oktober 2010 heropent en schorst zij het onderzoek naar de klaagschriften van Verdachte c.s. voor nadere selectie van de in beslag genomen voorwerpen en digitale bestanden/gegevensdragers door de rechter-commissaris (LJN BO1774BO1775 en BO1777).

Verdachte c.s. stellen cassatieberoep in tegen deze beschikkingen. De Hoge Raad verklaart hen daarin op 4 oktober 2011 niet-ontvankelijk (LJN BT2190BT2191 en BT2192).

De rechter-commissaris maakt een selectie voor het Mauritiaanse en het Nederlandse onderzoek. Deze luiden gelijk, afgezien van digitale bestanden met itemnummers 002a-002d en 016a. Deze bevinden zich wel in de Nederlandse, maar niet in de Mauritiaanse selectie.

De rechtbank neemt kennis van het dossier en behandelt het klaagschrift van klaagster in raadkamer van 10 september 2012. De officier van justitie is gehoord en geeft te kennen van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, voor zover het voorwerpen betreft buiten de mappen voor het Mauritiaanse rechtshulpverzoek en het Nederlandse onderzoek. Namens klaagster is mr. Smit, voornoemd, gehoord. De vordering ex art. 552p Sv en de andere klaagschriften zijn gelijktijdig behandeld.

Het beslag duurt thans nog voort.

Beoordeling Rechtbank

Uit het dossier, in het bijzonder het proces-verbaal dat omtrent de doorzoeking bij Verdachte is opgemaakt, en het onderzoek in raadkamer blijkt de rechtbank dat de digitale gegevens die zich bij Verdachte bevinden, kennelijk zeer omvangrijk zijn, deze digitale gegevens worden vastgelegd, de rechter-commissaris de gegevensdragers vervolgens in beslag neemt en dat bij gelegenheid van de hierna te noemen nadere selectie afdrukken worden gemaakt. Voorts blijkt daaruit dat zowel klaagster als de officier van justitie al het voorgaande beschouwt als 'beslag', waaromtrent wordt geklaagd. Er is ook niet ex art. 552a lid 2 Sv schriftelijk verzocht om vernietiging van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking. De rechtbank beschouwt daarom al hetgeen aan haar oordeel is onderworpen thans als beslag.

De rechtbank stelt als haar oordeel voorop dat de doorzoeking bij Verdachte zowel heeft plaatsgevonden in het kader van het Mauritiaanse rechtshulpverzoek als in het kader van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Uit het dossier en het onderzoek in raadkamer blijkt dat de officier van justitie ook in het kader van een Nederlands onderzoek heeft gevorderd dat bij Verdachtedoorzoeking zou plaatsvinden. Uit het proces-verbaal dat vervolgens van deze doorzoeking is opgemaakt, volgt dat zij plaatsvindt onder leiding van de rechter-commissaris. Het betreft derhalve een doorzoeking in de zin van art. 110 (jo. art. 125i) Sv. Dat de rechter-commissaris hiertoe niet schriftelijk heeft besloten, doet daaraan niet af.

De rechtbank is van oordeel dat het beslag op rechtmatige wijze is gelegd. De rechtbank verwerpt het andersluidende verweer van klaagster. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De rechter-commissaris was bevoegd om de desbetreffende voorwerpen in beslag te nemen alsmede om de desbetreffende plaats te doorzoeken ter vastlegging van aldaar op een gegevensdrager opgeslagen of vastgelegde gegevens, zulks in het belang van de waarheidsvinding respectievelijk het onderzoek, zoals in art. 94 respectievelijk 125i Sv omschreven. Hiervan was ten tijde van de doorzoeking sprake, gelet op hetgeen staat vermeld in de vorderingen van de officier van justitie, hetgeen in beslag is genomen en de enorme omvang van de datagegevens en papieren archieven. Dat de rechter-commissaris er ten tijde van de doorzoeking voor heeft gekozen om alle data vast te leggen en vervolgens op een later moment een selectie te maken, maakt dit niet anders. Dat zij dit heeft gedaan door het vastleggen in kopie getuigt slechts van zorgvuldig - proportioneel (en subsidiair) - handelen. De rechtbank heeft hiervoor onder 3.3 overwogen dat sprake is van een doorzoeking in de zin van art. 110 (jo. art. 125i) Sv. Deze vindt op grond van art. 110 lid 2 Sv plaats onder leiding van de rechter-commissaris. Uit het proces-verbaal dat van deze doorzoeking is opgemaakt, volgt dat dit ook onder haar leiding heeft plaatsgevonden. Reeds hierom doet zich geen situatie voor die vergelijkbaar is aan die welke ter beoordeling voorlag aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in zijn uitspraak van 14 september 2010 inzake Sanoma tegen Nederland (Appl. No. 38224/03). Van schending van enige bepaling van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank overweegt dat zij zich voorts heeft te richten naar het volgende toetsingskader. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klager. Ingevolge art. 116 lid 1 Sv doet het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, r.o. 2.8-2.10). Nu beslag is gelegd op de voet van art. 94 lid 1 (jo. 552o lid 3) Sv is in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in Mauritius (vgl. HR 12 juni 1984, NJ 1985, 173, r.o. 5.3.5) en in Nederland. De rechtbank overweegt dat zij zich voorts wat betreft het Mauritiaanse verzoek heeft te richten naar het volgende toetsingskader. Als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien het verzoek is gegrond op een verdrag - hier het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie - aan dat verzoek ingevolge art. 552k lid 1 Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, LJN ZD2927, r.o. 3.4).

De rechtbank is van oordeel dat kunnen dienen om in Mauritius en in Nederland de waarheid aan de dag te brengen in de zin van art. 94 lid 1 (jo. 552o lid 3) Sv, de volgende voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking kan hebben:

  • documenten die zijn gegenereerd uit digitale bestanden en die met doorlopende nummers 001 tot en met 045 zijn opgenomen in het proces-verbaal 'Onderzoek Geselecteerde Bestanden' van de inspecteur van 20 juni 2012;
  • bijlagen 5a tot en met 5d bij het proces-verbaal 'Onderzoek Geselecteerde Bestanden' van de inspecteur van 20 juni 2012.

Voorts kunnen naar haar oordeel dienen om in Nederland de waarheid aan de dag te brengen in de zin van art. 94 lid 1:

  • documenten die zijn gegenereerd uit digitale bestanden en die met doorlopende letters 002a-002d en 016a zijn opgenomen in het proces-verbaal 'Onderzoek Geselecteerde Bestanden' van de inspecteur van 20 juni 2012.

De rechtbank overweegt daartoe dat zij in het bijzonder heeft gelet op de feiten en omstandigheden in de (aanvullende) rechtshulpverzoeken, de vordering van de officier van justitie tot doorzoeking en de inhoud van de desbetreffende voorwerpen en de beschrijving daarvan op de respectieve beslaglijsten/overzichten.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie bij de behandeling van het beklag te kennen heeft gegeven van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich voor de overige in beslag genomen voorwerpen waarop het klaagschrift ziet, niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet. Ook stelt de rechtbank vast dat zich bij de hiervoor in 3.5.2 genoemde voorwerpen geen privébestanden (privédocumenten en privéfoto's) bevinden, zodat deze kennelijk behoren tot die overige voorwerpen. De rechtbank zal daarom in zoverre zonder zelf in een beoordeling van dat punt te treden op het klaagschrift beslissen.

Klaagster heeft verzocht om de in beslag genomen voorwerpen aan haar terug te geven. De rechtbank stelt evenwel vast dat deze voorwerpen in beslag zijn genomen onder Verdachte. De rechtbank is van oordeel dat klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat het gaat om in beslag genomen voorwerpen, althans een in beslag genomen gegevensdrager, betreffende digitale gegevens van klaagsters zakelijke computer op haar werkplek bij Verdachte. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat haar ambtshalve bekend is dat Verdachte zelf een klaagschrift heeft ingediend en dat de teruggave aan die rechthebbende zal worden gelast.

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.

Klaagster heeft tijdens het onderzoek in raadkamer verzocht een bij haar thuis (locatie B) in beslag genomen krantenartikel terug te geven. De rechtbank verklaart klaagster in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank overweegt daartoe dat een beklag als bedoeld in art. 552a Sv, zoals die bepaling ook voorschrijft, schriftelijk moet worden gedaan. De wet kent niet de mogelijkheid dat een verzoek om teruggave van een in beslag genomen voorwerp mondeling wordt gedaan; in een dergelijk beklag kan klaagster niet worden ontvangen (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, r.o. 2.3).

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook de uitspraak in de zaak van de werkneemster

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF