Illegale radiozender verstoort luchtvaartcommunicatie in Duitsland: economische politierechter legt geldboete op en onttrekt zendapparatuur aan het verkeer
/Rechtbank Noord-Nederland 16 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:811
De economische politierechter veroordeelt een verdachte uit de gemeente Emmen voor het medeplegen van het opzettelijk aangelegd aanwezig hebben en gebruiken van illegale radioapparatuur zonder vergunning, in strijd met artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet. De zaak komt aan het licht na een melding van de Duitse luchtverkeersleiding dat op de luchtvaartfrequentie 128.5 MHz Nederlandstalige muziek van een illegale zender te horen is, waardoor communicatie met vliegtuigen in het luchtruim boven Noordrijn-Westfalen onmogelijk wordt. Op het perceel van de verdachte treft de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur een complete radiostudio aan met meerdere zenders, vermogensversterkers en antennes, terwijl op 800 meter afstand een onbemande zendconstructie met een 70 meter hoge antennemast wordt gevonden. Het verweer dat onvoldoende onderzoek is verricht naar het verband tussen de verstoring en de aangetroffen apparatuur wordt verworpen. De economische politierechter legt een geldboete op van € 1.200 subsidiair 12 dagen hechtenis en wijkt daarmee af van de door het Openbaar Ministerie gevorderde taakstraf van 120 uren. Alle inbeslaggenomen zendapparatuur wordt onttrokken aan het verkeer wegens strijd met de wet en het algemeen belang.
Inleiding en context
De economische politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, behandelt een strafzaak tegen een natuurlijk persoon die ervan wordt verdacht samen met anderen illegale radioapparatuur te hebben aangelegd, aanwezig te hebben gehad en te hebben gebruikt zonder de daarvoor vereiste vergunning. De zaak vindt haar oorsprong in een melding van de Duitse luchtverkeersleiding te Krefeld op 24 oktober 2024. De luchtverkeersleiding constateert dat op de frequentie 128.5 MHz, een frequentie die in gebruik is bij het Area Control Centre voor de begeleiding van vliegtuigen in het luchtruim boven Noordrijn-Westfalen, Nederlandstalige muziek te horen is, afkomstig van een illegale radiozender. De verstoring is zodanig ernstig dat communicatie op de desbetreffende frequentie onmogelijk wordt. Naar aanleiding van deze melding start de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur een onderzoek dat uiteindelijk leidt naar het woonadres van de verdachte in de gemeente Emmen. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de economische politierechter als enkelvoudige kamer. De verdachte verschijnt niet ter terechtzitting op 2 maart 2026, maar laat zich vertegenwoordigen door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij op 24 oktober 2024 te Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk radioapparaten heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en heeft gebruikt, zonder dat daarvoor een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet. Het gaat om een uitgebreid samenstel van apparatuur, waaronder een mobiele zendmast, een antennesysteem, een topbuis, meerdere zendversterkers, zenders, vermogensversterkers en ontvangers. Het centrale wettelijke voorschrift is artikel 10.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, dat het aanleggen, aangelegd aanwezig hebben en gebruiken van radioapparaten zonder vergunning verbiedt. Nu het feit opzettelijk is begaan, is het op grond van artikel 2 van de Wet op de economische delicten als misdrijf aan te merken, met de strafbedreiging van artikel 6 van diezelfde wet. Daarnaast is artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing gelet op het tenlastegelegde medeplegen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert een veroordeling voor het tenlastegelegde feit. Zij voert aan dat op het adres van de verdachte radioapparaten zijn aangetroffen die in gereedheid waren gebracht om uit te zenden. Daarnaast is veel reserveapparatuur aanwezig. Op een locatie op 800 meter afstand is een zendmast aangetroffen die met de apparatuur op het adres van de verdachte is verbonden. Op grond daarvan acht de officier van justitie het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben van radioapparaten zonder vergunning bewezen. Met betrekking tot de strafmaat vordert de officier van justitie, met verwijzing naar de richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet onder de categorie "etherpiraten", een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Zij benadrukt dat sprake is van concreet gevaar voor het luchtverkeer. Voorts vordert de officier van justitie onttrekking aan het verkeer van alle inbeslaggenomen goederen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman voert primair een bewijsverweer en bepleit vrijspraak. Hij betoogt dat onvoldoende onderzoek is verricht om tot een bewezenverklaring te komen. Meer specifiek stelt de raadsman dat geen onderzoek is gedaan naar het verband tussen enerzijds de melding door de Duitse luchtverkeersleiding van de uitzending op 128.5 MHz en anderzijds de aangetroffen apparatuur op het adres van de verdachte en de apparatuur op een nabijgelegen perceel. De raadsman wijst erop dat het aantal illegale zenders in de regio groot is, zodat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten verantwoordelijk zijn voor de verstorende uitzending. Subsidiair bepleit de raadsman, voor het geval de economische politierechter tot een bewezenverklaring komt, oplegging van een geldboete van € 500. Daarbij zoekt hij aansluiting bij de categorie "illegaal gebruik van niet-omroepfrequenties" uit de richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet, een mildere categorie dan door de officier van justitie gehanteerd. De raadsman wijst erop dat de verdachte first offender is en dat hij met de inbeslagname van de radioapparatuur reeds financieel hard is getroffen. Ten aanzien van het beslag refereert de raadsman zich aan het oordeel van de economische politierechter en geeft hij aan dat de verdachte de apparatuur niet terugverlangt.
Oordeel van het gerecht
De economische politierechter acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van twee bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien. Het eerste bewijsmiddel betreft het uitgebreide proces-verbaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van 5 november 2024. Daaruit blijkt dat een inspecteur op 24 oktober 2024 naar aanleiding van een prio-1 melding over een verstoring van de luchtvaartcommunicatie een onderzoek instelt. Het onderzoek leidt naar het perceel van de verdachte, waar de inspecteur een studio met audioapparatuur aantreft die op dat moment is ingeschakeld. Met toestemming van de verdachte betreedt de inspecteur de studio en treft daarin een samenstelling aan die hij ambtshalve herkent als een opstelling zoals veelvuldig in gebruik bij exploitanten van illegale radiozenders. In een aangrenzende ruimte worden meerdere zenders en vermogensversterkers aangetroffen, waarvan er een volledig is aangesloten op een vermogensversterker en via een coaxiale geleiding is verbonden met FM-zendantennes op het perceel. Op 800 meter afstand wordt een onbemande zendconstructie aangetroffen met een 70 meter hoge antennemast, een aggregaat, een dieseltank, een standkachel en diverse draadloze linkapparatuur. Het Landelijk Meetnet Telecom van de RDI registreert dat de uitgezonden radiogolven worden ontvangen op meetposten in Groningen, Hengelo en Hoogeveen. Uit audiobestanden blijkt dat op de luchtvaartfrequentie 128.5 MHz zowel spraak van piloten als Nederlandstalige muziek van de illegale zender te horen is. Het tweede bewijsmiddel betreft het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 27 november 2024, waarin de verdachte verklaart dat hij (deels) eigenaar is van de inbeslaggenomen radioapparatuur en dat hij nooit een vergunning van de RDI voor het gebruik van frequentieruimte heeft ontvangen.
De economische politierechter overweegt dat het begrip "aangelegd aanwezig hebben" volgens vaste jurisprudentie ruim dient te worden geinterpreteerd. Daaronder valt de situatie waarin in de omgeving van het radiozendapparaat een geschikte antenne of andere hulpmiddelen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn om het apparaat met een betrekkelijk eenvoudige handeling in gebruik te nemen. Van "aangelegd aanwezig hebben" is slechts dan geen sprake indien het apparaat in verpakte toestand aanwezig is of uit andere omstandigheden blijkt dat de intentie van gebruik ontbreekt. Daarvan is in deze zaak niet gebleken.
Het verweer van de verdediging dat nader onderzoek had moeten worden verricht naar het verband tussen de prio-1 melding en het aantreffen van de radioapparatuur bij de verdachte, wordt verworpen. De economische politierechter oordeelt dat door de verdediging niet aannemelijk is gemaakt, noch anderszins aannemelijk is geworden, dat door de bevoegde opsporingsambtenaren in strijd met enig rechtsbeginsel is gehandeld.
Bewezenverklaring
De economische politierechter verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
het op 24 oktober 2024 te Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aangelegd aanwezig hebben en gebruiken van radioapparaten, te weten een mobiele zendmast, een antennesysteem, een topbuis, meerdere zendversterkers, meerdere zenders, meerdere vermogensversterkers en meerdere ontvangers, zonder dat voor het gebruik daarvan een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet.
Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 10.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan. De verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen meer of anders ten laste is gelegd.
Strafoplegging en maatregelen
Bij de strafoplegging ontstaat een discussie over de toepasselijke categorie uit de richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet. De officier van justitie gaat uit van de categorie "etherpiraten" en vordert een taakstraf van 120 uren. De raadsman bepleit toepassing van de mildere categorie "illegaal gebruik van niet-omroepfrequenties" met een geldboete van € 500. De economische politierechter neemt, in het voordeel van de verdachte, het door de raadsman genoemde uitgangspunt uit de richtlijn over. De economische politierechter wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie, zowel wat betreft de aard als de zwaarte van de straf. Als strafverzwarende omstandigheden weegt de economische politierechter mee dat sprake is van medeplegen en dat met de gebruikte frequentie het luchtvaartverkeer in Duitsland daadwerkelijk is verstoord. Deze concrete gevaarzetting voor het luchtverkeer had ernstige gevolgen kunnen hebben voor de algemene veiligheid. Alles afwegende legt de economische politierechter een onvoorwaardelijke geldboete op van € 1.200 subsidiair 12 dagen hechtenis. Daarnaast worden alle inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer. De economische politierechter overweegt dat het ongecontroleerde bezit van de voorwerpen in strijd is met de wet of met het algemeen belang en merkt op dat ook voorwerpen die op zichzelf niet gevaarlijk zijn, maar waarvan het bezit afhankelijk is gesteld van een vergunning of ontheffing, aan het verkeer kunnen worden onttrokken.
Lees hier de volledige uitspraak.
