HR: Wet op de economische delicten biedt geen grondslag om de kosten van vernietiging van inbeslaggenomen goederen op verdachten te verhalen

Hoge Raad 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1134

De verdachte is bij arrest van 25 november 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. en 3. “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,00, subsidiair 285 dagen hechtenis, waarvan € 25.000,00, subsidiair 160 dagen hechtenis voorwaardelijk. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de op de beslaglijst onder 1 en 2 vermelde inbeslaggenomen gewasbestrijdingsmiddelen.

De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"(...)

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 1 en 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijkheid artikel 8, aanhef en onder c, WED

Naar het oordeel van het hof bestaat er in het onderhavige geval, gelet op de beslissing tot onttrekking aan het verkeer, geen ruimte voor toepassing van de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel als bedoeld in artikel 8 onder c van de Wet op de economische delicten, nu dit een reparatoire maatregel betreft, waarvan toepassing haaks staat op het doel van de reeds toegepaste onttrekking aan het verkeer van de onderhavige gewasbestrijdingsmiddelen, waarvan het bezit immers in strijd met de wet en het algemeen belang is. De kosten voor het vernietigen van de gewasbestrijdingsmiddelen zijn gelet op die beslissing derhalve niet op grond van dit artikel te verhalen op de verdachte.

(...)"
 

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van vernietiging van de inbeslaggenomen gewasbeschermingsmiddelen, waarvan het Hof heeft vastgesteld dat die illegaal op de markt zijn gebracht en moeten worden onttrokken aan het verkeer, niet op grond van art. 8, aanhef en onder c, WED op de verdachte zijn te verhalen.

Volgens de toelichting op het middel kent de maatregel van art. 8 aanhef en onder c WED twee componenten. De eerste component betreft de verplichting tot verrichting van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht en verrichting van prestaties tot het goedmaken van een en ander. De tweede component betreft de verplichting tot betaling van de kosten van herstel, nader uitgewerkt in art. 14 WED. In casu moet de overheid veel kosten maken voor de vernietiging van de in de bewezenverklaring genoemde gewasbeschermingsmiddelen. Gelet op de wetsgeschiedenis valt niet in te zien waarom de verdachte niet op de voet van art. 8 aanhef en onder c WED zou kunnen worden verplicht tot het betalen van die kosten.
 

Beoordeling Hoge Raad

De klacht van het middel berust op de opvatting dat art. 8, aanhef en onder c, WED grondslag biedt voor verhaal van de kosten van vernietiging door de overheid van de inbeslaggenomen gewasbeschermingsmiddelen, waarvan het Hof heeft vastgesteld dat die - overeenkomstig de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof - moeten worden onttrokken aan het verkeer. Die opvatting is, mede blijkens de bewoordingen van deze bepaling, onjuist. Aan de verdachte is niet een van de in art. 8, aanhef en onder c, WED bedoelde verplichtingen opgelegd die zij voor eigen rekening zou moeten uitvoeren. Mede gelet op art. 36a Sr was het Hof ook overigens niet bevoegd als maatregel aan de verdachte op te leggen aan de Staat de kosten te vergoeden van het vernietigen van inbeslaggenomen goederen die aan het verkeer moeten worden onttrokken.

Het middel faalt.


Conclusie AG

13. Noch de tekst van de wet noch de parlementaire geschiedenis is helder over de vraag wat precies dient te worden verstaan onder de in art. 8 aanhef en onder c WED genoemde kosten. Het gaat om kosten die gepaard gaan met het nakomen van enige aan de verdachte opgelegde in art. 8 aanhef en onder c WED genoemde verplichting. Het nakomen daarvan pleegt voor de staat geen kosten op te leveren. Dat wordt pas anders wanneer de veroordeelde zich niet aan zijn verplichting houdt en de staat het tot haar taak rekent te doen wat de veroordeelde had behoren te doen. Anders dan de pendant van art. 8 aanhef en onder c WED in het bestuursrecht, art. 5:21 Awb12, kent de WED niet de uitdrukkelijke bevoegdheid een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van een overtreding door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen indien deze niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Kennelijk wordt in het bepaalde in art. 10 WED een mogelijkheid gezien voor de staat om op kosten van de veroordeelde te doen hetgeen hij ingevolge de hem op de voet van art. 8 aanhef en onder c WED opgelegde verplichting had moeten doen doch heeft nagelaten.13

14. Hoe dit ook zij, voor de onderhavige zaak is van essentieel belang dat art. 8 aanhef en onder c WED alleen de mogelijkheid biedt de veroordeelde te belasten met kosten voor zover hem enige verplichting is opgelegd tot verrichting van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht of verrichting van prestaties tot het goedmaken van een en ander. Van oplegging van een dergelijke verplichting is in casu geen sprake. Dit betekent dat het hof reeds daarom niet aan oplegging van de kosten van vernietiging van de aan het verkeer onttrokken voorwerpen toe heeft kunnen komen.

15. Voorts staat het bepaalde in art. 36a Sr aan verhaal van kosten van tenuitvoerlegging van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer in de weg. Deze bepaling is tot stand gekomen toen art. 8 aanhef en onder c WED reeds lang bestond en gaat dus voor het oudere art. 8 aanhef en onder c WED. Zij maakt geen uitzondering voor kosten als bedoeld in art. 8 aanhef en onder c WED. Dat kan twee dingen betekenen. Art. 8 aanhef en onder c WED gaat niet over kosten als bedoeld in art. 36a Sr of dat laatste was wel het geval maar was voor de wetgever geen reden de kosten van tenuitvoerlegging van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer voor zover te verhalen over de band van art. 8 aanhef en onder c WED, van het bepaalde in art. 36a Sr uit te zonderen. Art. 8 aanhef en onder c biedt dus geen basis (meer) voor verhaal van kosten van tenuitvoerlegging van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer.

16. Het hof werpt nog een derde barrière op tegen verhaal van kosten van tenuitvoerlegging van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de onderhavige voorwerpen op basis van art. 8 aanhef en onder c WED. Volgens het hof behelst art. 8 aanhef en onder c WED een reparatoire maatregel.14 Toepassing daarvan staat, aldus het hof, haaks op het doel van de reeds toegepaste onttrekking aan het verkeer van de onderhavige gewasbestrijdingsmiddelen, waarvan het bezit immers in strijd is met de wet en het algemeen belang.

17. Dit oordeel begrijp ik als volgt. Art. 8 aanhef en onder c WED biedt de mogelijkheid de verplichting op te leggen tot verrichting van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht en verrichting van prestaties tot het goedmaken van een en ander. In casu heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Dit kan hij teniet doen door die gewasbeschermingsmiddelen van de markt te halen. Tot het opleggen van een verplichting daartoe biedt art. 8 aanhef en onder c WED de mogelijkheid. Zou de verdachte aan die verplichting voldoen, dan zou hij in het bezit raken van die gewasbeschermingsmiddelen. Dat is echter in strijd is met de wet of het algemeen belang. Op die grond zijn die gewasbeschermingsmiddelen immers aan het verkeer onttrokken verklaard. Met andere woorden, het opleggen met betrekking tot die gewasbeschermingsmiddelen van een verplichting als bedoeld in art. 8 aanhef en onder c WED is niet verenigbaar met de omstandigheid dat de gewasbeschermingsmiddelen aan het verkeer onttrokken zijn verklaard. Daarom kan art. 8 aanhef en onder c WED ook geen basis vormen voor een - volgens de tekst van art. 8 aanhef en onder c WED aan die verplichting te relateren - veroordeling van de verdachte in de kosten van vernietiging van de gewasbeschermingsmiddelen. Zo gezien geeft het oordeel van het hof, anders dan het middel wil, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

18. Ik laat in het midden of de kosten van vernietiging kunnen worden aangemerkt als kosten van onttrekking aan het verkeer. Vanzelfsprekend is dat niet. Opslag bij domeinen is immers voldoende om de gewasbeschermingsmiddelen aan het verkeer te onttrekken.

19. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

 

 

Print Friendly and PDF