Tanker vaart in het donker tegen onbemand booreiland: Functioneel daderschap kapitein door niet de zorg te betrachten die in redelijkheid van hem kon worden gevergd

Rechtbank Amsterdam 4 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4406

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman een pleitnota overhandigd, die aan dit verkorte vonnis wordt gehecht.

Kort samengevat komt het erop neer dat verdachte ten tijde van de overtreding de naam tankschip niet heeft gevoerd in de zin van de Scheepvaartverkeerswet, en dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat verdachte zich niet als kapitein in de veiligheidszone rond het boorplatform heeft bevonden, en dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken. Voor zover verdachte wel kan worden gezien als pleger dan is er volgens de raadsman geen sprake van opzet. Nu er volgens de raadsman geen sprake is van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte kan medeplegen niet worden bewezen.


Oordeel economische politierechter

Vooropgesteld wordt dat de naam tankschip daadwerkelijk de veiligheidszone is binnen gevaren zonder dat daartoe een vergunning was verleend. Op het moment daarvan had de medeverdachte dienst als stuurman en was de kapitein in zijn hut. De kapitein was belast met het gezag over het schip en is, zoals hij ook zelf verklaarde, verantwoordelijk voor alles, waaronder de bemanning en de veiligheid.

Het verweer van de raadsman dat de kapitein, op grond van de Scheepvaartverkeerswet, niet kan worden aangemerkt als degene die het schip voer wordt verworpen. Verdachte wordt immers niet verweten dat hij een van de artikelen uit de Scheepvaartverkeerswet heeft overtreden. Verdachte wordt verweten dat hij als pleger dan wel als medepleger artikel 43 van de Mijnbouwwet heeft overtreden. De Scheepvaartverkeerswet is de basis van alle verkeersregels voor de scheepvaart en daarin staan algemene regels voor het veilige en vlotte verloop van het scheepvaartverkeer. Deze regels zijn verder uitgewerkt in scheepvaartreglementen. Nu verdachte wordt verweten de Mijnbouwwet te hebben overtreden en niet de Scheepvaartverkeerswet dan wel een van de scheepvaartreglementen treft de verwijzing naar deze Scheepvaartverkeerswet dan ook geen doel en behoeft geen nadere bespreking.

Het verweer van de raadsman dat verdachte zich niet als kapitein in de veiligheidszone rond het boorplatform heeft bevonden wordt eveneens verworpen.

De kapitein is belast met het gezag over een zeeschip. Dit geldt ook wanneer de feitelijke navigatie van het schip door een ander plaatsvindt en de kapitein aan het rusten is in zijn cabine. Verdachte vervulde ten tijde van de overtreding de functie van kapitein en heeft zich daarom als kapitein in de veiligheidszone rond het boorplatform bevonden.

De economische politierechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van functioneel daderschap van verdachte. Verdachte had als kapitein immers zeggenschap over de handelingen van de eerste stuurman en heeft als gezagvoerder niet de zorg betracht die in redelijkheid van hem kon worden gevergd om de overtreding te voorkomen. De economische politierechter overweegt hiertoe dat verdachte, toen hij ongeveer vijfentwintig minuten voor de aanvaring met het boorplatform op de brug kwam en daar alleen de eerste stuurman zag, niet heeft gevraagd waar de verplichte tweede aanwezige (matroos) op de brug zich bevond. Daarnaast is hem niet opgevallen of heeft hij toegestaan dat het auditieve alarm dat waarschuwt wanneer het schip van het vaarplan afwijkt, voor langere tijd was uitgeschakeld. Ook heeft hij onvoldoende toezicht gehouden op het naleven van het afgesproken vaarplan.

Met de raadsman en anders dan de officier van justitie is de economische politierechter van oordeel dat het opzet van verdachte op het strafbare feit niet is bewezen. Uit het dossier blijkt dat het strafbare feit is begaan als gevolg van een aantal menselijke fouten. Tot aan het moment van de aanvaring met het boorplatform was verdachte zich op geen enkele manier bewust van de daad die aan het strafbare feit ten grondslag ligt, namelijk het varen binnen de veiligheidszone rond een boorplatform. Opzet van verdachte op het strafbare feit kan dan ook niet worden bewezen.

Met de raadsman en anders dan de officier van justitie is de economische politierechter van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte het strafbare feit tezamen en in vereniging met de eerste stuurman heeft gepleegd. Uit het dossier volgt niet dat verdachte wat betreft het tenlastegelegde zo nauw en bewust met de eerste stuurman heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de overtreding.
 

Bewezenverklaring

  • Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 43 van de Mijnbouwwet.
     

Strafoplegging

  • Geldboete van € 3.000

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF