HR laat toegewezen vordering benadeelde partij, met vergoeding materiële schade door studievertraging, in stand. AG contrair.

Hoge Raad 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1123

In cassatie wordt geklaagd dat het Hof, in het licht van het ter terechtzitting gevoerde verweer, de vordering van de benadeelde partij wat betreft de materiële schade van €20.947,96 als gevolg van een jaar studievertraging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen.
 

Feiten

Het slachtoffer in deze zaak is in de nacht van 27 juli 2013 door een aantal jongens van zijn fiets getrokken, geschopt en geslagen.

Eén van de verdachten is bij arrest van 23 juni 2015 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden met een voorwaardelijk gedeelte van vier maanden en een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 240 uur wegens de eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

In het genoemde arrest heeft het hof daarnaast de vordering van benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van €22.777,21 en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting aan de Staat opgelegd.

Het "Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" houdt het volgende in:

"Welke gevolgen heeft het voorval voor u gehad?

Hersenschudding, met onder andere een jaar studievertraging tot gevolg (...)

De totale schade bestaat uit de volgende posten:

Omschrijving Bedrag

1. Eigen risico zorgverzekering 350,-

2. Studievertraging 20.947,96

3. Zaakschade 436,05

4. Reiskosten juridische zaken 13,20

5. Immateriële schade 1.300 (...)

Totaal 23.047,21."

Het "Schade-onderbouwingsformulier" houdt het volgende in:

"Studievertraging:

Benadeelde volgt een WO studie (Technische Bestuurskunde) en zit in het begin van zijn masterfase. Door het hersenletsel heeft hij nu al een aanzienlijke studieachterstand opgelopen. Volgens benadeelde is de opgelopen en nog op te lopen achterstand dusdanig dat deze dit jaar niet meer is in te halen. (...)

Een jaar studievertraging volgens de Letselschade Richtlijn Studievertraging (...) € 19.177,00

Collegegeld 2013/14 (...)

12 maal € 147,58 per maand € 1.770,96 + € 20.947,96."
 

Middel

Het middel klaagt dat het Hof, in het licht van het ter terechtzitting gevoerde verweer, de vordering van de benadeelde partij wat betreft de materiële schade van €20.947,96 als gevolg van een jaar studievertraging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het oordeel van het hof dat de verdediging de vordering wat betreft de schadeposten van één jaar studievertraging en het collegegeld voor het jaar 2013-2014 volstrekt onvoldoende heeft betwist, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Daarbij betoogt de steller van het middel dat door de verdediging in hoger beroep onder meer is aangevoerd

  1. dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de betreffende schadeposten te gecompliceerd is om in het kader van de strafprocedure te worden behandeld;
  2. dat in dit verband van belang is dat de precieze aard van het door het slachtoffer opgelopen letsel niet goed uit de in het dossier aanwezige stukken kan worden opgemaakt; en
  3. dat op grond van de zich in het dossier bevindende informatie evenmin goed kan worden vastgesteld of en in hoeverre de door het slachtoffer gestelde studievertraging daadwerkelijk het gevolg is geweest van de geweldshandelingen van de verdachte en zijn medeverdachte.

Door de steller van het middel wordt voorts opgemerkt dat het in casu door het slachtoffer naar voren gebrachte ‘bewijsmateriaal’ niet voldoet aan het bewijsminimum dat in een civiele procedure over de schadevergoedingsvordering van het slachtoffer van toepassing zou zijn. Tot slot wordt in de toelichting op het middel nog gesteld dat het hof bij zijn beoordeling van de vordering niet of nauwelijks op de stellingen van de verdediging is ingegaan.
 

Beoordeling Hoge Raad

Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256).

Het Hof heeft in zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat op grond van het verhandelde in het strafgeding genoegzaam aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte een jaar studievertraging heeft opgelopen en dat hij daardoor schade heeft geleden ten bedrage van €20.947,96. Bezien in het licht van de feiten en omstandigheden die het Hof blijkens de bewijsvoering heeft vastgesteld en in aanmerking genomen hetgeen door de benadeelde partij enerzijds en door en namens de verdachte anderzijds met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding, in het bijzonder voor zover die betrekking heeft op de studievertraging, is aangevoerd, is het oordeel van het Hof dat de schade in verband met de studievertraging tot een bedrag van €20.947,96 voldoende aannemelijk is geworden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.
 

Conclusie AG: contrair

In het op 19 november 2013 gewezen vonnis in eerste aanleg in de onderhavige zaak kwam de rechtbank Den Haag met betrekking tot de gestelde schadepost van een jaar studievertraging tot het oordeel dat op dat moment reeds voldoende aannemelijk was dat slachtoffer als gevolg van de tenlastegelegde feiten een half jaar studievertraging zou oplopen – en in verband daarmee een bedrag van € 10.000,- aan schade zou lijden –, maar dat de vordering van slachtoffer wat betreft de genoemde schadepost voor het overige niet-ontvankelijk was. Blijkens de passage van de pleitnota van de raadsman van de verdachte, heeft de verdediging bij de behandeling van de zaak in hoger beroep in de kern aangevoerd dat de vordering van slachtoffer van de schadeposten van één jaar studievertraging en het collegegeld voor het jaar 2013-2014 te gecompliceerd is om in het kader van de strafprocedure te worden behandeld en dat daarbij van belang is dat uit de relevante informatie in het dossier niet goed kan worden opgemaakt wat de precieze aard en ernst van het door slachtoffer opgelopen letsel is. Nu de inhoud van de bij het Voegingsformulier gevoegde bijlagen wat betreft de gevolgen van het letsel van slachtoffer voor de langere termijn geen eenduidige informatie bevat en uit de overwegingen van het hof in zijn arrest in het geheel niet blijkt of c.q. in hoeverre het hof rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat slachtoffer in de loop van de periode na de tenlastegelegde feiten in ieder geval weer beperkt studiebelastbaar is geworden, is de vaststelling door het hof van de studievertraging van slachtoffer mijns inziens – zonder nadere motivering – niet zonder meer begrijpelijk. Evenmin vind ik het zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdediging de vordering van de schadeposten van een jaar studievertraging en het collegegeld voor het jaar 2013-2014 in het licht van de onderbouwing daarvan “volstrekt onvoldoende heeft betwist”. Aangezien het hof wat betreft de gevolgen van het letsel van slachtoffer voor de langere termijn eigenlijk geheel is afgegaan op de stellingen van slachtoffer zelf is ook niet goed duidelijk hoe de verdediging zich tegen deze stellingen anders had kunnen verweren dan dat zij heeft gedaan.

Het eerste middel treft doel.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF