Bijstandsfraude: Hoe vindt door HR ontwikkelde toetsingskader voor bewijs van medeplegen toepassing bij een omissie- en kwaliteitsdelict?

Hoge Raad 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1129

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens medeplegen van bijstandsfraude.

De raadsvrouwe heeft in hoger beroep een bewijsverweer heeft gevoerd dat zich concentreerde op de vraag of sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 15 januari 2016 blijkt voorts dat de raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de verdachte wist dat betrokkene 1 een uitkering ontving, maar bij het behouden daarvan geen actieve rol heeft gespeeld.

Het hof heeft in reactie op het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer het volgende overwogen:

“De medeverdachte betrokkene 1 heeft bij de sociale recherche verklaard dat de verdachte in maart 2010 definitief is teruggekomen naar Hilversum en bij haar is komen wonen aan de b-straat De dochter van betrokkene 1 heeft een gelijkluidende verklaring afgelegd en heeft voorts verklaard dat zowel betrokkene 1 als de verdachte tegen haar hebben gezegd dat de verdachte zich niet kon inschrijven op het adres van betrokkene 1, omdat dat problemen met de uitkering zou opleveren. De verdachte heeft erkend dat hij ervan op de hoogte was dat betrokkene 1 een een ouderuitkering ontving. Gelet op voormelde omstandigheden acht het hof aannemelijk dat de verdachte en betrokkene 1 vanaf maart 2010 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De omstandigheid dat de verdachte gedurende een aantal weken, te weten van 16 april 2011 tot en met 14 mei 2011, in detentie heeft verbleven, doet daar niet aan af. In de periode van 3 mei tot en met 16 juli 2011 zijn door de sociale recherche diverse observaties gedaan waarbij is geconstateerd dat een Range Rover met kenteken AA-00-AA, waar de verdachte in reed, bij de woning aan de b-straat en na 27 mei 2001 bij de a-straat is aangetroffen. De getuige betrokkene 5, eigenaar van een vakantiepark A in.., heeft op 19 juli 2011 verklaard dat de verdachte zijn werkzaamheden daar sinds ongeveer een maand weer is begonnen en dat sindsdien de medeverdachte betrokkene 1 en de kinderen in de weekenden op het vakantiepark verblijven. Het hof ziet, gelet op deze feiten, geen reden om de periode die door de rechtbank bewezen is verklaard, te bekorten.”
 

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het handelen "tezamen en in vereniging met anderen" (het medeplegen) ontoereikend is gemotiveerd.
 

Beoordeling Hoge Raad

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte "tezamen en in vereniging met een ander" in de periode van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 in strijd met een zijn medeverdachte bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, niet kan worden afgeleid uit de bewijsvoering van het Hof is de uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
 

Conclusie AG

9. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist. Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht.

10. De vraag rijst hoe het in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader voor het bewijs van medeplegen toepassing vindt bij een omissie- en kwaliteitsdelict als het onderhavige. In de voorliggende zaak gaat het om het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken waartoe de tot de belanghebbende gerichte inlichtingenplicht van art. 17 van de Wet Werk en bijstand zich uitstrekt. De enkele wetenschap dat de partner met wie de verdachte samenwoont en die een uitkering ontvangt in strijd met de bedoelde inlichtingenplicht niet aan de verantwoordelijke dienst meedeelt dat zij samenwoont, zal daartoe niet toereikend zijn. Daarmee is immers nog niet gegeven dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking bij het begaan van het feit. Ook bij een delict als het onderhavige zal de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht moeten zijn om als medeplegen te kunnen gelden.

11. In de onderhavige zaak gaat het niet om een uitkering die de verdachte zelf ontving, maar om de uitkering die zijn partner genoot. De zaak vertoont enige gelijkenis met een zaak die leidde tot een arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2009. In deze zaak werd in cassatie geklaagd over het bewijs van het ten laste gelegde medeplegen van onder meer valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en het medeplegen van het in art. 227b Sr strafbaar gestelde feit. Mijn ambtgenoot Knigge merkt in zijn aan het arrest voorafgaande conclusie op dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn mededader een uitkering ontving, dat het bij haar intrekken gevolgen zou hebben voor deze uitkering, dat het melden van het samenwonen zou betekenen dat zij haar uitkering zou kwijtraken en dat hij zich daarom bewust niet inschreef op haar adres maar op een ander adres. Daaruit kon volgens Knigge worden afgeleid dat sprake was van een gezamenlijke realisering van een gezamenlijk plan, inhoudende om het samenwonen niet te vermelden op inkomstenverklaringen en ook om dit niet op een andere manier aan de uitkeringsinstantie door te geven, teneinde het gezamenlijke inkomen zo hoog mogelijk te houden. Het hof kon daarom oordelen dat sprake was van medeplegen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.

12. In lijn met het genoemde arrest en de daaraan voorafgaande conclusie, zou kunnen worden betoogd dat ook in de onderhavige zaak het bewezen verklaarde medeplegen, voor zover dat betrekking heeft op de periode van 1 maart 2010 tot 1 juli 2011, voldoende met redenen is omkleed. Daartoe wijs ik op het volgende. Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte wist dat zijn partner, betrokkene 1, een uitkering ontving naar de norm van een alleenstaande ouder, terwijl de verdachte en betrokkene 1 in werkelijkheid een gezamenlijke huishouding voerden. Het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke huishouding wordt in cassatie ook niet bestreden. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte in februari 2010 is teruggekeerd uit Duitsland en bij betrokkene 1 is ingetrokken. Uit de verklaring van de dochter van betrokkene 1 (bewijsmiddel 6) blijkt dat de verdachte en betrokkene 1 haar hebben verteld dat de verdachte zich niet bij betrokkene 1 kon laten inschrijven, omdat dat problemen zou opleveren met de uitkering. Daarbij wijs ik er voorts op dat de genoemde dochter van betrokkene 1 tevens heeft verklaard dat de verdachte een auto voor betrokkene 1 heeft gekocht en dat de verdachte volgens haar aan haar had verteld dat betrokkene 1 die auto vanwege haar uitkering niet op haar naam kon krijgen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof uit de inhoud van de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte en betrokkene 1 een gezamenlijk plan realiseerden, door te verbergen dat zij in Hilversum samenwoonden. Aan dat plan droeg de verdachte actief bij door zich – overeenkomstig de wens van betrokkene 1 - niet op het adres van betrokkene 1 in Hilversum in te schrijven, terwijl hij met ingang van maart 2010 wel op dat adres met haar samenwoonde.

13. Daarmee is echter niet alles gezegd. De bewezenverklaring ter zake van medeplegen betreft immers ook de periode van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 en heeft niet alleen betrekking op het niet meedelen of kenbaar maken aan de gemeente dat de verdachte en zijn mededader in die periode een gezamenlijke huishouding voerden, maar ook dat betrokkene 1 in die periode niet op het uitkeringsadres verbleef. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat betrokkene 1 in deze periode bij de verdachte in Duitsland inwoonde, dat de verdachte in het onderhoud van betrokkene 1 en de kinderen voorzag en dat betrokkene 1 daarnaast een uitkering ontving. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat aan de uitkeringsinstanties niet is gemeld dat de verdachte en betrokkene 1 in Duitsland samenwoonden, terwijl het hof ook uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte reeds in deze periode wist dat betrokkene 1 een uitkering ontving. Uit de verklaring van de dochter van betrokkene 1 heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte wist dat het vermelden van een gezamenlijke huishouding gevolgen zou hebben voor de hoogte van de uitkering van betrokkene 1 Daarmee is evenwel nog niet gegeven dat de verdachte aan het in zoverre bewezen verklaarde een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om als medeplegen te kunnen gelden. Het kennelijke oordeel van het hof dat ook in zoverre sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen betrokkene 1 en de verdachte acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt weliswaar dat de verdachte zich niet op het adres van betrokkene 1 in Hilversum heeft ingeschreven, terwijl hij wel op dat adres met haar samenwoonde, maar die bijdrage vond eerst plaats vanaf maart 2010 en zag uiteraard niet op de periode waarin de verdachte in Duitsland woonde. Anders dan ten aanzien van de periode vanaf maart 2010, kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte ten aanzien van het samenwonen in deze periode een bijdrage heeft geleverd die een veroordeling voor medeplegen zou kunnen dragen. Het bewezen verklaarde, voor zover behelzende dat de verdachte in periode van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 "tezamen en in vereniging met een ander" een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift valselijk heeft opgemaakt, kan niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.6 De uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.

14. Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF