HR herhaalt: voor verbeurdverklaring is niet nodig dat ex art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken

Hoge Raad 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:948

Het gaat in deze zaak om een criminele organisatie die zich bezig heeft gehouden met het oplichten van de Belastingdienst door het op grote schaal op naam van (onwetende) derden valselijk aanvragen van kinderopvangtoeslag, huur- en zorgtoeslag. Daartoe is gebruik gemaakt van de burgerservicenummers van deze derden waarmee werd ingelogd in de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst. Op de digitale aanvragen werden in de meeste gevallen bankrekeningen van andere derden vermeld, over welke bankrekeningen de leden van de criminele organisatie konden beschikken. Op deze bankrekeningen zijn de aangevraagde toeslagen door de belastingdienst uitbetaald en via deze bankrekeningen werden de ontvangen gelden vervolgens doorgesluisd naar de leden van de criminele organisatie. In sommige gevallen zijn de bedragen door de Belastingdienst rechtstreeks op bankrekeningen van deelnemers aan de criminele organisatie overgemaakt.

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 23 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 1) en, medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2). Daarbij heeft het hof tevens de vordering van de advocaat-generaal tot verbeurdverklaring van de (conservatoir) in beslag genomen gelden ad € 4.247; 71 en € 5.835,03 afgewezen.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 1 november 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens voorwerpen, te weten geldbedragen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt."

Het Hof heeft het onder 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van gewoontewitwassen".

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 2 bewezenverklaarde het "medeplegen van gewoontewitwassen" oplevert.

Het namens de verdachte voorgestelde middel bevat de klacht dat het hof bij zijn kwalificatiebeslissing ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde bijzondere kwalificatie-uitsluitingsgrond voor gevallen waarin sprake is van het witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen.

Daarnaast wordt in het middel gesteld dat, voor zover het hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde inderdaad ten onrechte de genoemde bijzondere kwalificatie-uitsluitingsgrond niet heeft toegepast, tevens geldt dat het bewijs voor de onder 1 tenlastegelegde deelneming aan een organisatie voor zover deze gewoontewitwassen tot oogmerk heeft, niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het 'verwerven of voorhanden hebben' van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het 'verwerven of voorhanden hebben' als bedoeld in het eerste lid onder b van art. 420bis Sr.

De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte de geldbedragen heeft "overgedragen" en heeft "omgezet" als bedoeld in het evengenoemde onderdeel van dat artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het "verwerven" en "voorhanden hebben" van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van het middel niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij het middel (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80).

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Beoordeling van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof voorgestelde middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldbedragen van € 4.247,71 en € 5.835,03 heeft afgewezen.

Het Hof heeft - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - als volgt overwogen en beslist:

"Ten aanzien van de inbeslaggenomen gelden overweegt het hof dat uit het dossier en hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht, blijkt dat het om conservatoir in beslaggenomen gelden gaat. Gelden waarop conservatoir beslag rust kunnen niet verbeurd verklaard worden. Het hof zal daarom, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, deze gelden niet verbeurdverklaren."

Voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a Sr is niet nodig dat op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Ingevolge art. 34 Sr zal in zo een geval het voorwerp moeten worden uitgeleverd of de geschatte waarde daarvan moeten worden betaald. Voor uitlevering zal de verdachte, indien op hetzelfde voorwerp een ander dan het in art. 94 Sv vermelde beslag is gelegd, afhankelijk zijn van de medewerking van de beslaglegger. Een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv staat derhalve niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard. Een andersluidende opvatting zou ook tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de strafrechter door een beslaglegger in zijn sanctiemogelijkheden wordt beperkt (vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3689, NJ 2016/62).

Het oordeel van het Hof is derhalve onjuist.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF