HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. medeplegen en in het bijzonder afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid: Medeplegen van dwang via dreigbrieven tegen windmolenprojecten bevestigd
/Hoge Raad 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:115
De Hoge Raad herhaalt zijn jurisprudentie over medeplegen, in het bijzonder de afbakening met medeplichtigheid. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een bijdrage van voldoende gewicht. Wanneer geen gezamenlijke uitvoering plaatsvindt, moet het hof die bijdrage uitdrukkelijk en zorgvuldig motiveren. Het hof heeft dit volgens de Hoge Raad op toereikende wijze gedaan door de rol van verdachte uitvoerig te beschrijven. Dat de verdachte geen brieven heeft geschreven of verzonden doet niet af aan zijn substantiële rol. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting; het cassatieberoep wordt verworpen.
Achtergrond
De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1958, is bij arrest van 28 mei 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens meerdere feiten van medeplegen van dwang en poging tot dwang. Het gaat concreet om drie maal medeplegen van poging tot een ander door bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, alsmede eenmaal medeplegen van een ander door bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, meermalen gepleegd. Deze strafbare feiten zijn gekwalificeerd onder artikel 284 lid 1 Wetboek van Strafrecht.
De bewezenverklaarde feiten houden verband met het versturen van dreigbrieven en een zogenoemd zwartboek aan bedrijven en personen die betrokken waren bij de bouw en facilitering van windmolenparken in Groningen en Drenthe. In deze brieven werd gedreigd met ernstige consequenties indien de geadresseerden niet zouden stoppen met hun werkzaamheden of hun betrokkenheid bij deze projecten. De dreiging had onder meer betrekking op reputatieschade, onveiligheid van personeel en andere intimiderende feitelijkheden.
Het gerechtshof heeft vastgesteld dat de verdachte samen met ten minste één mededader gedurende een langere periode op heimelijke wijze overleg voerde over strategie, inhoud en verspreiding van deze dreigbrieven. Daarbij werd gebruikgemaakt van codetaal, voorzorgsmaatregelen om opsporing te voorkomen en verzending vanuit het buitenland om herkomst te verhullen. De verdachte vervulde binnen dit samenwerkingsverband een actieve rol, onder meer door het laten drukken van het zwartboek, het instrueren van de drukker over het wissen van digitale sporen, het meedenken over de inhoud en strekking van de brieven, het selecteren van doelwitten en het verzamelen en doorgeven van adressen.
De verdachte is door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in artikel 27 lid 1 Wetboek van Strafrecht. Daarnaast zijn beslissingen genomen over vorderingen van benadeelde partijen. Twee benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding, terwijl de vordering van een andere benadeelde partij gedeeltelijk is toegewezen. Tevens is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Tegen het arrest van het hof heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte zijn door zijn raadsman twee middelen van cassatie voorgesteld.
Middel
Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen. Volgens de verdediging blijkt uit de bewijsvoering niet dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om hem als medepleger aan te merken. De verdachte zou hooguit een ondersteunende of faciliterende rol hebben gehad, die eerder past bij medeplichtigheid dan bij medeplegen. In het bijzonder wordt aangevoerd dat de verdachte niet zelf de dreigbrieven heeft geschreven of verzonden en dat de feitelijke uitvoering in overwegende mate bij de mededader lag.
Het tweede cassatiemiddel bevat overige klachten tegen de uitspraak van het hof, die volgens de verdediging eveneens tot cassatie zouden moeten leiden.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat voor medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is alleen gerechtvaardigd indien de intellectuele en of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Wanneer het medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die ook met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht, rust op de feitenrechter de plicht om het oordeel dat toch sprake is van medeplegen nauwkeurig te motiveren. Daarbij kan onder meer acht worden geslagen op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding en uitvoering van het delict en het belang van die rol. De Hoge Raad verwijst in dit verband naar zijn vaste rechtspraak, waaronder het arrest van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.
De Hoge Raad overweegt dat het hof uitvoerig en gedetailleerd heeft vastgesteld welke rol de verdachte heeft gespeeld binnen het samenwerkingsverband. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet slechts een toehoorder of passieve participant was, maar een wezenlijke en actieve bijdrage heeft geleverd. Daarbij heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte verantwoordelijk was voor het laten drukken van de dreigbrieven en het zwartboek, dat hij de drukker expliciet instrueerde om handschoenen te dragen en digitale bestanden te verwijderen, en dat deze instructies erop duiden dat de verdachte wetenschap had van de illegale inhoud van het drukwerk.
Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de verdachte intensief overlegde met zijn mededader over de inhoud en het effect van de dreigbrieven, waaronder het al dan niet stellen van ultimatums, en over de keuze van bedrijven en personen die als doelwit moesten worden geselecteerd. Ook droeg de verdachte bij aan het verzamelen van adressen en gaf hij deze door aan de mededader. Uit de heimelijk opgenomen gesprekken blijkt volgens het hof dat sprake was van een structureel voortgangsoverleg, waarin strategie werd bepaald en plannen werden gesmeed. Het gebruik van codetaal, het vermijden van telefoons en het fluisteren tijdens gesprekken onderstrepen volgens het hof het ondergrondse en heimelijke karakter van de samenwerking.
De Hoge Raad acht van belang dat het hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat het ontbreken van bewijs dat de verdachte zelf de brieven heeft getypt of verzonden, niet afdoet aan de substantiële rol die hij heeft vervuld. Evenmin doet daaraan af dat de mededader mogelijk een nog grotere rol heeft gespeeld. Medeplegen vereist immers niet dat alle medeplegers dezelfde handelingen verrichten of een gelijkwaardige rol hebben.
Gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, en de uitvoerige motivering die het hof heeft gegeven met betrekking tot de nauwe en bewuste samenwerking en de wezenlijke bijdrage van de verdachte, oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd. Het eerste cassatiemiddel faalt daarom.
Ten aanzien van het tweede cassatiemiddel overweegt de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. De Hoge Raad past hierbij artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie toe en ziet geen aanleiding tot een nadere motivering, omdat beantwoording van de klachten niet nodig is voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie.
Lees hier de volledige uitspraak.
