HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het als heer en meester beschikken over een goed

Hoge Raad 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2638

De verdachte is wegens verduistering veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van het wederrechtelijk toe-eigenen van de tas met inhoud waardoor de verdachte vrijgesproken zou moeten worden van het tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte van meet af aan voornemens was de tas terug te geven aan de rechtmatige eigenaar. De verdachte heeft weliswaar om een vindersloon gevraagd, maar hij had de tas ook teruggegeven indien de aangeefster niet bereid was geweest vindersloon aan de verdachte te geven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte (tevens) wordt vrijgesproken van verduistering, nu er onvoldoende bewijs voorhanden is dat de verdachte niet voornemens was de tas en de pasjes terug te geven. Het enkele feit dat de verdachte een vergoeding eist is volgens de advocaat-generaal onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de verdachte de tas wederrechtelijk heeft toegeëigend, nu de verdachte als vinder op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht heeft op een redelijke beloning.

Beoordeling hof

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van wederrechtelijke toe-eigening indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof gaat voor wat betreft het aantreffen en vervolgens meenemen van de tas uit van de verklaring van de verdachte zoals hij heeft afgelegd bij de politie. Het hof overweegt dat de verdachte nadat hij de tas had gevonden volgens het BW verplicht was tot afgifte hiervan aan de politie dan wel de eigenaar. De verdachte heeft als vinder recht op een redelijke beloning. Het hof is dan ook met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat het vragen om een vindersloon niet betekent dat de tas wederrechtelijk wordt toegeëigend. Het hof overweegt evenwel dat de verdachte, nadat hij met de eigenaresse van de tas een vindersloon van € 50,- had afgesproken, haar via WhatsApp heeft bericht dat hij werd gebeld door haar man en dat als haar man nog één keer zou bellen, verdachte haar spullen in het water zou gooien waarbij hij aangaf dat de vinders"prijs" werd verhoogd naar € 70,-. Het hof is van oordeel dat op het moment dat de verdachte dreigde de tas in het water te gooien, de verdachte als heer en meester heeft beschikt over de tas die aan de eigenaresse toebehoort. Daarnaast neemt het hof nog in aanmerking dat de verdachte op het moment van de overdracht de pasjes die in de portemonnee van aangeefster zaten, waaronder de vreemdelingenkaart van de kinderen van aangeefster, in zijn jaszak had zitten. Op het moment dat aangeefster merkte dat de pasjes ontbraken en dit tegen de verdachte zei, gaf de verdachte de pasjes niet direct terug maar zei dat hij eerst het geld wilde hebben. Pas nadat aangeefster nogmaals aangaf dat haar passen niet in haar portemonnee zaten, haalde de verdachte de pasjes tevoorschijn. Ook dit duidt er naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op dat de verdachte als heer en meester over de pasjes heeft beschikt. Een en ander klemt temeer nu aan een vinder volgens jurisprudentie van de Hoge Raad geen retentierecht toekomt ter zaken van het vindersloon, HR 25 oktober 1996, VR 1997, 84.

Al het voorgaande in samenhang bezien brengt het hof tot het oordeel dat de verdachte zich de tas met de inhoud, waaronder voornoemde pasjes, wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Voor wat betreft het betoog van de raadsvrouw dat de verdachte de tas ook aan aangeefster had teruggegeven als zij geen vergoeding aan hem had betaald, merkt het hof op dat verdachte zelf dit niet heeft verklaard, maar is overigens van oordeel dat dit aan het voorgaande niet afdoet."
 

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de bewijsvoering kan volgen. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat niet blijkt dat de verdachte op enig moment zijn houding heeft gewijzigd en zich heeft voorgenomen de tas niet meer terug te geven.
 

Beoordeling Hoge Raad

In de tenlastelegging en bewezenverklaring is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Volgens vaste rechtspraak is van zodanig toe-eigenen sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vlg. onder meer HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, NJ 1990/256).

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat

  • de verdachte, nadat hij met de eigenaresse van de door hem gevonden tas een vindersloon van € 50,- had afgesproken, heeft gedreigd haar spullen in het water te gooien en het vindersloon heeft verhoogd naar € 70,- en
  • de verdachte op het moment van de overdracht van de tas aan de eigenaresse, pasjes die ten tijde van de diefstal van de tas in de daarin aanwezige portemonnee zaten, in zijn jaszak had zitten en deze enkel tegen betaling wilde teruggeven.

Mede gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte als heer en meester over de tas heeft beschikt en hij deze zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.
 


Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF