Conclusie AG gaat in op klacht dat vaste jurisprudentie dat een sleutel die wordt gebruikt door iemand die daartoe geen recht heeft een valse sleutel is niet meer van deze tijd is

Hoge Raad 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2546

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden wegens diefstal alsmede diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 11 januari 2014 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bestelbus en een hoeveelheid gereedschap en een portemonnee met inhoud (€ 95,- en diverse pasjes), toebehorende aan [betrokkene], waarbij hij, verdachte, de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een sleutel van de eerder van de aangever [betrokkene], weggenomen sleutelbos.”
 

Middel

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het bewezenverklaarde feit heeft gekwalificeerd als diefstal door middel van valse sleutels in de zin van art. 311 lid 1 onder 5e Sr. In het bijzonder wordt geklaagd dat het hof een te ruime uitleg geeft aan het begrip ‘valse sleutels’. Het middel keert zich tegen de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een sleutel die wordt gebruikt door iemand die daartoe geen recht heeft, een valse sleutel is in de zin van voormelde strafbepaling. Volgens de toelichting op het middel is die jurisprudentie “niet meer van deze tijd”.
 

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO. 
 

Conclusie AG

Art. 311 lid 1 aanhef en sub 5e Sr, welke een strafverzwarende omstandigheid inhoudt, luidt:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft: (…)

5°. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum.”

De wetgever beoogde omstandigheden die aan een diefstal een meer gevaarlijk karakter geven zwaarder te bestraffen. Hieronder vallen (onder meer) de middelen die de ‘schuldige’ bezigt, daaronder begrepen valse sleutels.1 In art. 338 ORO werd gesproken van “valsche sleutels of andere tot opening van de plaats waar of het voorwerp waarin zich het goed bevindt, niet bestemde werktuigen”. In het Gewijzigd Ontwerp werd voor een andere benadering gekozen. Dit omdat het begrip “valsche sleutels” in verschillende delictsomschrijvingen voorkwam en daar overal gelijkgesteld werd met andere voorwerpen die niet voor opening bestemd zijn. Een algemene bepaling, waarin die gelijkstelling in de definitie van ‘valse sleutels’ werd verwerkt, werd door de Regering “raadzaam” geacht. Aan de betekenistitel in Boek I werd een begripsomschrijving toegevoegd, welke in art. 90 Sr is vervat. Dit artikel luidt:

“Onder valse sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen.”

In de toelichting op de wijziging merkte de Regering voorts op: “Onverschillig of het werktuig al of niet een sleutel is, zoo het slechts niet die sleutel is, die voor opening van dat slot bestemd is.” 

Uit art. 90 Sr en de wetsgeschiedenis blijkt dat twee categorieën valse sleutels zijn te onderscheiden: naast de ‘echte sleutels’ (voorwerpen die naar hun aard bestemd zijn om sloten mee te openen) staan ‘andere voorwerpen’ (dat wil zeggen voorwerpen die naar hun aard geen sleutels zijn). Voor de vraag of een sleutel vals is, doet de aard van het voorwerp echter uiteindelijk niet ter zake. Het komt steeds aan op de bestemming die aan het voorwerp is gegeven. Het is daarbij niet de dief die de bestemming van het voorwerp bepaalt.3 Als hij een ijzerdraadje ervoor bestemt om daarmee andermans slot open te peuteren, is dat ijzerdraadje ondanks die daaraan door de dief gegeven bestemming een valse sleutel. Als daarentegen de eigenaar die zijn sleutel is kwijtgeraakt zijn eigen slot met een draadje weet te openen, heeft hij geen valse sleutel gebruikt. Met de valsheid van ‘echte sleutels’ is het niet anders. Beslissend is niet of het slot met behulp van die sleutel kan worden geopend, maar of die sleutel door de rechthebbende voor dat doel is bestemd.

De Hoge Raad heeft in 1986 bepaald dat het gebruik maken van een sleutel door iemand die daartoe niet is gerechtigd, meebrengt dat de sleutel ten aanzien van dat slot een valse sleutel is.4 In het bedoelde arrest ging het om een huissleutel die eerst door de dief was gestolen. Hoewel de Hoge Raad zijn standpunt niet beargumenteerde, lijkt de gedachte te zijn geweest dat een sleutel die gestolen is, door de rechthebbende niet langer bestemd is voor het openen van het desbetreffende slot. Anders gezegd: voor gebruik door een onbevoegde is de sleutel door de rechthebbende niet bestemd. Deze gedachte laat zich moeiteloos toepassen op andere vormen van onbevoegd gebruik en op andere sleutels dan huissleutels. Zo levert het gebruik van gestolen pinpassen diefstal door middel van valse sleutels op.

Waarom nu meent de steller van het middel dat deze jurisprudentie niet meer van deze tijd is? Wat is er sinds 1986 veranderd? In de toelichting van het middel worden verschillende argumenten aangevoerd, die op een voor mij niet altijd te volgen wijze met elkaar in verband worden gebracht. Met enige goede wil kan in de toelichting het argument ontwaard worden dat er door de ruime uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven aan het begrip “valse sleutels” geen voldoende verschil in strafwaardigheid meer is tussen het gronddelict (diefstal) en de gekwalificeerde variant daarvan. Gewezen wordt in elk geval, zij het slechts indirect, op de betrekkelijk recente ontwikkeling in de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van bepaalde strafverzwarende omstandigheden zoals voorbedachte raad en roekeloosheid. Aan die strafverzwarende omstandigheden heeft de Hoge Raad een zodanige invulling gegeven dat het verschil in strafpositie daarin zijn rechtvaardiging kan vinden. In de lijn van die jurisprudentie zou liggen dat de extensieve interpretatie van het begrip ‘valse sleutels’ wordt heroverwogen. Omdat dit aldus door mij begrepen argument mij als het gewichtigste voorkomt, zal ik daaraan de meeste aandacht schenken.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat “vrijwel elke diefstal van een auto (…) onder de strafverzwarende omstandigheden van artikel 311 lid 1 onder 5 [valt]”. “Immers”, zo wordt daaraan toegevoegd, “een auto is bijna niet te starten zonder sleutel of een tot opening van het slot niet bestemd werktuig”. Die redenering keert zich mijns inziens niet tegen de (ruime) uitleg die de Hoge Raad aan ‘valse sleutels’ geeft, maar tegen die strafverzwarende omstandigheid als zodanig. Ik zie namelijk niet dat het argument dat voor iedere autodiefstal een of ander als sleutel gebruikt werktuig nodig is, op een andere conclusie kan uitlopen dan de conclusie dat het gebruik van een dergelijke valse sleutel niet discrimineert tussen de ene en de andere autodiefstal en daarom bezwaarlijk strafverzwarend kan werken. Overtuigen doet die redenering overigens niet. Met evenveel recht kan men stellen dat voor zowat iedere brandkastkraak een thermische lans nodig is en dat braak daarom niet strafverzwarend zou mogen werken. Veel handen krijgt men met die redenering denk ik niet op elkaar.

Aangevoerd wordt ook dat de toevoeging ‘valse’ aan ‘sleutels’ door de interpretatie van de Hoge Raad inhoudsloos is geworden. Elk voorwerp dat de dief gebruikt om een slot te openen, is immers, zo wordt gesteld, op grond van die jurisprudentie een valse sleutel. Of die stelling helemaal opgaat, is een vraag die ik laat rusten. Belangrijker is dat de stelling, ook als zij geheel juist zou zijn, niet betekent dat er door de uitleg die de Hoge Raad geeft aan het begrip ‘valse sleutels’ geen noemenswaardig verschil in strafwaardigheid meer bestaat met het gronddelict. Want het verschil met de gewone diefstal is nog steeds dat de dief gebruik heeft moeten maken van een voorwerp om het goed onder zijn bereik te brengen.

De gemeenschappelijke noemer waaronder de in art. 311 lid aanhef en sub 5e Sr vermelde strafverzwarende omstandigheden kunnen worden gebracht, is dat het gaat om diefstal van goederen die niet onder het bereik van de dader waren, maar die de dader onder zijn bereik heeft moeten brengen door het aanwenden van bepaalde middelen. Vanuit de dader bezien is een zwaardere strafbedreiging gerechtvaardigd omdat hier de gelegenheid niet de dief maakte, maar de dader zich de gelegenheid om te stelen zelf verschafte. Vanuit de rechthebbende bezien is een betere bescherming (door middel van een zwaardere strafbedreiging) gerechtvaardigd omdat het niet gaat om goederen die hij los heeft achtergelaten op een voor ieder toegankelijke plaats, maar om goederen die tegen diefstal beveiligd zijn doordat zij achter slot en grendel worden bewaard, aan de ketting liggen of zich bevinden op plaatsen waartoe vreemden geen toegang hebben. Een vergelijking met de strafverzwaring ingeval van diefstal van vee uit de weide onderstreept dat. Bijzondere bescherming is hier volgens de MvT geboden omdat het gaat om “voorwerpen, die aan de openbare trouw zijn overgelaten”. Misschien kan beter gezegd worden dat het gaat om voorwerpen die de eigenaar aan de openbare trouw moet overlaten omdat hij geen andere keus heeft. Wie wel een keus heeft, en zijn eigendommen zonder noodzaak aan de openbare trouw overlaat, verdient geen bijzondere bescherming.

Mijn conclusie is dat de ruime uitleg die de Hoge Raad aan het begrip ‘valse sleutels’ geeft goed past bij de ratio legis van deze strafverzwaringsgrond en dat die uitleg dan ook niet maakt dat er onvoldoende grond is voor strafverzwaring. Het zou juist onbevredigend zijn als de eigenaar die zijn goederen met sloten heeft beveiligd, de bijzondere bescherming van art. 311 lid 1 aanhef en sub 5e Sr zou moeten missen in gevallen waarin een onbevoegde zich van de sleutels meester maakt.

In de toelichting op het middel worden ook nog twee andere argumenten aangedragen. Het eerste van die twee argumenten is dat de uitleg van de Hoge Raad niet in overeenstemming is met het algemeen spraakgebruik en in strijd is met het verbod op analogische wetstoepassing, in welk verband ook art. 7 EVRM wordt genoemd. Ik zou daarover kort willen zijn. Het grammaticale argument kon ook al in 1986 in stelling worden gebracht, zodat daarin moeilijk steun kan worden gevonden voor de opvatting dat de gegeven uitleg niet meer van deze tijd is. De rechtszekerheid waarop de steller van het middel zich beroept, brengt veeleer mee dat de Hoge Raad aan een eenmaal gegeven uitleg vasthoudt zolang die niet tot onaanvaardbare resultaten leidt. Ik merk voorts op dat het de wetgever is geweest die met zijn in art. 90 Sr neergelegde begripsomschrijving is afgeweken van het normale spraakgebruik. Ik merk ten slotte op dat het bij de foreseeability die door art. 7 EVRM wordt geëist, niet alleen gaat om de tekst van de wet, maar ook om de uitleg die daaraan in bestendige jurisprudentie wordt gegeven. De toepassing die in de onderhavige zaak aan art. 311 lid 1 aanhef en sub 5e Sr is gegeven, was voor de verdachte dan ook alleszins voorzienbaar.

Het tweede ‘andere’ argument is dat in de onderhavige zaak sprake is van een “dubbele veroordeling” omdat de verdachte ook voor de diefstal van de sleutel is bestraft. Daarover zou ik nog korter willen zijn. Een reden voor een andere uitleg van ‘valse sleutels’ levert dit niet op. Misschien wel voor het aannemen van een voortgezette handeling.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF