HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. de grens tussen medeplegen en medeplichtigheid

Hoge Raad 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:499

De Verdachte is bij arrest van 10 maart 2016 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot 11 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen zoals in het arrest vermeld.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de Verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsman - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er geen bewijs is voor de rechtstreekse betrokkenheid van Verdachte bij enige uitvoeringshandeling. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat Verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Van een nauwe en bewuste samenwerking is in de visie van de verdediging geen sprake.

(...)

Het hof overweegt het volgende.

(...)

De stelling van de raadsman dat Verdachte niet betrokken was bij het ten laste gelegde feit, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Met betrekking tot het verweer dat geen sprake is van medeplegen, overweegt het hof in het bijzonder het navolgende.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van Verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

Het plan om de (bij het bedrijf van de vader van Verdachte door betrokkene 1 aangekochte) auto in de brand te steken is afkomstig van de vader van verdachte. Dit plan is door verdachtes vader en medeverdachte betrokkene 3 aan de keukentafel van de familie Verdachte besproken in bijzijn van verdachte. Op een later moment is de afspraak gemaakt om naar de betreffende auto toe te gaan. Verdachte heeft het voertuig waarmee naar de betreffende auto zou worden gereden, geregeld. Toen betrokkene 3 instapte in dat voertuig, dat Verdachte bestuurde, lagen daar al aanmaakblokjes in. Betrokkene 3 heeft een fles benzine meegenomen. Verdachte wist het adres en betrokkene 3 heeft dit ingevoerd in diens Tomtom. Verdachte is met betrokkene 3 naar de straat van betrokkene 1 in Maastricht gereden. Verdachte heeft de betreffende auto aangewezen, waarna betrokkene 3 is uitgestapt en de feitelijke brandstichtende handelingen heeft uitgevoerd. Verdachte is op dat moment even weggereden en heeft betrokkene 3 enkele minuten later weer opgehaald. Daarna heeft Verdachte de auto in noordelijke richting, kennelijk huiswaarts, gestuurd.

Uit de verklaring van betrokkene 3 leidt het hof af dat Verdachte volledig op de hoogte was van het plan om de auto van betrokkene 1 in brand te steken, dat hij zijn voertuig naar het adres van betrokkene 1 heeft gereden, dat hij daar de medeverdachte heeft afgezet nadat hij het doelwit had aangewezen, en dat hij korte tijd later terug is gekomen om de medeverdachte op te halen. Deze verklaring vindt onder meer bevestiging in de verklaring van Verdachte in hoger beroep, voor zover inhoudende dat hij en betrokkene 3 naar het adres in Maastricht zijn gereden dat in de Tomtom was ingevoerd, terwijl uit onderzoek is gebleken dat dit het adres van betrokkene 1 betreft.

De verklaring van Verdachte dat hij samen met betrokkene 3 op pad was om te gaan stappen in Maastricht, acht het hof niet aannemelijk.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen Verdachte en medeverdachte betrokkene 3 die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij de omstandigheid dat betrokkene 3 de feitelijke brandstichtende handelingen heeft gepleegd niet afdoet aan de gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

De verweren van de raadsman worden verworpen."
 

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
 

Beoordeling Hoge Raad

In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de Verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat (i) het plan om de auto in brand te steken in het bijzijn van de Verdachte aan de keukentafel door zijn vader en de mededader is besproken, (ii) de Verdachte daarna het voertuig heeft geregeld, (iii) hij vervolgens als bestuurder van dat voertuig de mededader heeft opgehaald en met hem naar de in brand te steken auto is gereden alsmede dat op het moment dat de mededader instapte de aanmaakblokjes al in het voertuig aanwezig waren, (iv) de Verdachte degene was die wist op welk adres die auto gevonden kon worden, (v) hij die auto aan de mededader heeft aangewezen en (vi) hij, nadat de mededader de brand had gesticht, weer met de mededader is weggereden.

Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat de bijdrage van de Verdachte aan het bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, van voldoende gewicht is om de gedragingen van de Verdachte als medeplegen van dit delict aan te merken, niet onbegrijpelijk. Dat het Hof heeft vastgesteld dat zijn mededader "de feitelijke brandstichtende handelingen heeft gepleegd" doet aan de toereikendheid van de motivering niet af.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF