Wrakingsverzoek RC o.a. verwijt buiten de verdediging om overleg te voeren met OvJ, schrappen van zaakdossiers, prioritering getuigenlijst en onjuist informeren verdediging

Rechtbank Amsterdam 1 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:10409

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

Verzoekers zijn Verdachte in een strafzaak die bekend staat onder de naam 13Offside. Zij worden – kort gezegd – verdacht van mensensmokkel en witwassen. De rechter is als rechter-commissaris belast met onderzoekshandelingen.

Vanaf medio 2015 is de rechter - via de liaisonofficier in China - in gesprek met de Chinese autoriteiten over het verlenen van rechtshulp door dat land aan Nederland in het kader van deze zaak. Vanaf 2016 zijn onderhandelingen gaande over een of meerdere reizen naar China ter uitvoering van getuigenverhoren op verzoek van de verdediging. Door de rechter is in 2016 een rechtshulpverzoek ingezonden met een verzoek om alvast een aantal getuigen te horen. Tot daadwerkelijke uitvoering van dat verzoek is het niet gekomen.

Door een beslissing van de rechtbank van 14 februari 2017 is het aantal te horen getuigen toegenomen tot ongeveer 60 personen. Over het horen van deze getuigen heeft de rechter overleg gevoerd met de liaisonofficier, deels per e-mail maar hoofdzakelijk telefonisch.

Begin mei 2017 hebben de Chinese autoriteiten via de liaisonofficier een aantal vragen gesteld over het te verwachten aantal getuigen, de omvang van de delegatie en dergelijke. De rechter heeft de liaisonofficier daarop om uitstel van beantwoording van de vragen verzocht vanwege een bericht van het Openbaar Ministerie van 3 mei 2017 dat het met de verdediging in gesprek was over een eventuele schikking. Vervolgens heeft de uitvoering van het rechtshulpverzoek.

Op 27 juli 2017 (16:31) heeft de rechter de liaisonofficier onder meer het volgende medegedeeld: “Ik vermoed dat u nog niet op de hoogte bent van de meest recente ontwikkelingen in het onderzoek naam onderzoek, maar het volgende is van belang. De gesprekken over een eventuele schikking in de zaak zijn afgebroken, overigens in een stadium dat men zeer dicht bij een overeenkomst was. Door de verdediging is het laatste bod ingetrokken waarbij zij geen duidelijke opgaaf van redenen daarvoor hebben gegeven. Dat heeft geleid tot de vraag hoe nu verder met het onderzoek, waarbij ik er uitdrukkelijk op wijs dat e.e.a. nog volstrekt niet vaststaat. De officier heeft mij in ieder geval verzocht om verhoren in China daadwerkelijk in te plannen, overigens met in eerste instantie de hoop dat door die druk de onderhandelingen hervat worden. Mocht dat geen resultaat hebben dan is de officier wel voornemens om keuzes te maken voor wat betreft de omvang van de zaak, waardoor het aantal te horen getuigen aanzienlijk zou worden gereduceerd; er zou dan nog sprake zijn van maximaal 25 getuigen,.....”.

Bij e-mail van 9 augustus 2017 (8:45) heeft de assistent Politie-Attache de rechter bericht dat de Chinese Autoriteiten niet helemaal begrijpen waarom er een rechtshulpverzoek uit 2016 opnieuw wordt ingediend en dat men graag een brief wilde waarin dit wordt uitgelegd

Bij e-mail van 9 augustus 2017 (12:58) heeft de rechter de liaisonofficier en het Openbaar Ministerie het volgende medegedeeld: “Het lijkt me goed om op zo kort mogelijke termijn de gevraagde brief op te stellen, als ik volgende week thuis ben, kan ik daar een opzet voor maken. Cruciaal daarin lijkt me echter dat we een realistisch beeld kunnen schetsen van wat we nu nog willen van de Chinezen, namelijk een betrekkelijk beperkt aantal getuigen (ca. 25, met mogelijk minder als men meewerkt aan het horen van CSA-personeel in Nederland) en niet meer de 50 stuks waar ik eerder mee heb geschermd. Het lastige daaraan is dan weer dat ik dat formeel nog helemaal niet weet, laat staan dat de verdediging daarvan op de hoogte is. Nu ik aan allerlei mailverkeer met de belangrijkste raadsman proef dat er bijzonder weinig kans is op het alsnog schikken van de zaak is het misschien verstandig als het OM zich erover beraad om in de aanloop naar de regiebijeenkomst van 21 september alvast het voornemen van de gekozen prioriteiten in het onderzoek wereldkundig te maken. Anders wordt het een heel gekunsteld gebeuren. Graag een reactie van het OM hierop.”

In reactie op die e-mail heeft het Openbaar Ministerie de rechter op 11 augustus 2017 laten weten dat na de vakantie contact zou worden opgenomen met de verdediging om te bespreken of er toch nog mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schikking te komen en dat indien de schikking definitief van de baan zou zijn, het Openbaar Ministerie voor de regiebijenkomst haar gekozen prioriteiten bekend zou maken.

Bij e-mail van 8 september 2017 (10:09) heeft het Openbaar Ministerie de rechter medegedeeld tot een andere selectie van (te laten vallen) zaakdossiers te komen en de prioritering van de resterende zaakdossiers aangegeven.

Bij e-mail van 11 september 2017 (18:05) heeft het Openbaar Ministerie de raadslieden van verzoekers op de hoogte gebracht welke zaakdossiers zouden komen te vervallen en hoe als gevolg daarvan het in China benodigde onderzoek zou worden beperkt.

Bij e-mail van 12 september 2017 (8:18) heeft de rechter de raadslieden van verzoekers opgave gedaan van de lijst met getuigen die volgens hem bij de nieuwe stand van zaken nog in China moesten worden gehoord.

Tussen 12 september 2017 en de regiezitting van 21 september 2017 is tussen de raadslieden van verzoekers en de rechter gecorrespondeerd over de bezwaren tegen de eenzijdige inperking van de lijst met de te horen getuigen.


De verzoeken en de gronden daarvan

Vanaf juli 2017 heeft de rechter, buiten de verdediging om, overleg gevoerd met de officier van justitie, over het schrappen van zaakdossiers. Deze gang van zaken is tot 11 september 2017 niet aan de verdediging gemeld, in deze tijd is evenmin aan de verdediging gevraagd welke prioritering in de getuigenlijst moest worden gehanteerd.

Daarnaast heeft de rechter de verdediging op de regiebijeenkomst van 21 september 2017 en bij brief van 26 september 2017 onjuist geïnformeerd over zijn kennisname van de door het Openbaar Ministerie aangebrachte prioritering ten aanzien van de te vervolgen zaakdossiers.

Ook heeft de rechter het Openbaar Ministerie het verdedigingsbelang laten toetsen van de - reeds eerder toegewezen - getuigen. Ter zitting hebben verzoekers hieraan toegevoegd dat het verdedigingsbelang ook zit in het horen van getuigen vanwege het zaakdossier waarin artikel 140 Strafrecht is tenlastegelegd en waarin de geschrapte zaakdossiers nog altijd deel uitmaken van de verdenking.
 

De reactie van de rechter

De rechter heeft aangevoerd dat in het door hem geleide grootschalige fraudeonderzoek verzoekers samengevat worden verdacht van mensensmokkel en witwassen. Dat heeft geleid tot een omvangrijk dossier dat bestaat uit 11 zaak- dossiers waarin door het Openbaar Ministerie en politie na rechtshulpverzoeken veel onderzoek is verricht in China. De rechter heeft daarvan de voorgeschiedenis geschetst. Daarna zijn onderhandelingen gevolgd over het uitvoeren van getuigenverhoren in China op verzoek van de verdediging. In de loop van 2016 is het aantal verzochte en toegewezen getuigen gestaag gegroeid en is door de rechter een rechtshulpverzoek ingezonden met een verzoek om alvast 27 getuigen te horen. Tot daadwerkelijke uitvoering van dat verzoek is het nog niet gekomen. Een beslissing van de rechtbank heeft geleid tot een aanzienlijke toename van het aantal te horen getuigen in China. In dat verband en omdat er nog geen sprake was van een einddossier, is bij de rechter de vraag gerezen of de Chinese autoriteiten de tot dan toe verleende medewerking aan rechtshulpverzoeken wel zouden willen voortzetten. De rechter heeft daarover sindsdien uitvoerig overlegd met de liaisonofficier. Aanvankelijk is door de Chinese autoriteiten welwillend gereageerd op de vraag of zij willen meewerken aan een dergelijk omvangrijk verzoek, maar dat is nadien veranderd.

Begin mei 2017 hebben de Chinese autoriteiten via de liaisonofficier een aantal vragen gesteld over het te verwachten aantal getuigen, de omvang van de delegatie en dergelijke. De rechter heeft uitstel gevraagd van beantwoording van die vragen vanwege het bericht dat het Openbaar Ministerie en de verdediging met elkaar in gesprek zouden gaan over een eventuele schikking, waardoor mogelijk afgezien zou kunnen worden van de verzochte rechtshulp. Nadat de rechter door het Openbaar Ministerie was medegedeeld dat de besprekingen met de verdediging over een schikking waren afgebroken en tevens werd aangegeven dat er nu belang aan werd gehecht om zo snel mogelijk tot uitvoering van de verzochte rechtshulp te komen, heeft de coördinerend rechter-commissaris aan het Openbaar Ministerie aangegeven dat het horen van zo’n groot aantal getuigen in China een erg grote belasting zou leggen op zijn kabinet. Tegelijkertijd gaf de liaisonofficier te kennen dat hij uit de informele contacten met de autoriteiten het signaal kreeg dat men grote vraagtekens zette bij het onderhavige verzoek. Vanwege die signalen heeft de liaisonofficier aangegeven dat hij een verzoek om grote aantallen getuigen te horen kansloos achtte en dat het verstandig zou zijn om een beperkt en finaal verzoek in te dienen. Naar aanleiding daarvan heeft het Openbaar Ministerie bericht na te willen denken over het (voorwaardelijk) seponeren van zaakdossiers om daarmee het aantal te horen getuigen te beperken. De rechter is daarover met het Openbaar Ministerie in gesprek geweest, omdat door het Openbaar Ministerie geen definitieve keuze werd gemaakt. Waar aanvankelijk werd aangekondigd dat vier zaakdossiers geheel en één dossier gedeeltelijk zouden worden geseponeerd, is dat uiteindelijk anderhalf zaakdossier geworden en is bovendien in een zeer laat stadium door het Openbaar Ministerie - op aandringen van de rechter- besloten dat dat sepot niet voorwaardelijk is. Daarna is de verdediging geïnformeerd over de recente ontwikkelingen.

De rechter begrijpt het verwijt van de verdediging dat hij hierover niet heeft gecommuniceerd in die periode maar de rechter meent dat hij zijn uiterste best heeft gedaan om de belangen van de verdediging in deze complexe situatie zo goed mogelijk te behartigen. De inspanningen zijn erop gericht geweest om de verdediging in staat te stellen nog ten minste een 30-tal getuigen te kunnen horen in China, in de wetenschap dat het horen van veel meer getuigen niet mogelijk zal zijn.
 

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Samengevat heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat zij op grond van de algemene verplichting ex art. 177a Sv. de rechter heeft ingelicht over het proces rond de transactiebesprekingen die op verzoek van de verdediging hebben plaatsgevonden. De rechter heeft het Openbaar Ministerie ex art. 184 Sv. daarop ter voorkoming van vertraging van het onderzoek (en meer specifiek in het belang van de rechtshulprelatie met China) aangespoord om de door de verdediging geïnitieerde transactiebesprekingen binnen korte termijn af te ronden. Nadat deze besprekingen op het laatste moment door de verdediging zonder enige toelichting plotseling werden afgebroken, is het Openbaar Ministerie aangespoord om een modus te vinden die, gelet op de recentelijk ontstane situatie, bij zou dragen aan een succesvolle behandeling door de Chinese autoriteiten van de getuigenverzoeken van de verdediging. Dit heeft ertoe geleid dat het Openbaar Ministerie (en uitdrukkelijk ook) het politieteam met tegenzin en, na aandringen van de rechter ook onvoorwaardelijk, enkele zaakdossiers heeft geseponeerd. De keuze welke zaak dossiers dit zouden betreffen, is door het Openbaar Ministerie in overleg met het politieteam gemaakt. De rechter heeft hier uitdrukkelijk inhoudelijk geen invloed op uitgeoefend.

Het lopende transactieproces heeft het al gecompliceerde rechtshulptraject met China aanzienlijk bemoeilijkt. De rechter heeft in dit krachtenveld, naar de indruk van het Openbaar Ministerie, zijn wettelijke onpartijdige regierol gepakt. Dit leidt niet tot enige vooringenomenheid van de rechter in de zin dat beslissingen telkens in het nadeel van de verdediging zijn genomen. Sterker nog, uit bovenstaande blijkt dat de acties van de rechter er steeds op gericht zijn geweest om het verdedigingsbelang én de voortgang van het onderzoek te dienen. Hij heeft namelijk maximaal getracht te waarborgen dat de kans dat de getuigenverzoeken die door de verdediging zijn opgevoerd daadwerkelijk door de Chinese autoriteiten worden gehonoreerd, werd vergroot. Dit proces heeft in korte tijd en onder druk zijn beslag gekregen. Als er al belangen zijn geschaad, dan zijn het de belangen van vervolging door het Openbaar Ministerie geweest. Nu het de raadslieden evident te doen is om vertraging van de afhandeling van de strafzaken van verzoekers, wordt de rechtbank verzocht toepassing te geven aan artikel 515 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). door de antimisbruik bepaling toe te passen.
 

De beoordeling van de verzoeken

Op grond van het bepaalde in artikel 512 Sv dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoekers daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat een verzoek tot wraking niet is bedoeld om onwelgevallige rechterlijke beslissingen ter discussie te stellen. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Zelfs als een beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, vormt dat op zichzelf beschouwd nog geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomen is. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of een beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist is, maar om te onderzoeken of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Dat laatste kan naar het oordeel van de rechtbank slechts het geval zijn als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing, waaronder begrepen de motivering daarvan, zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze redelijkerwijze niet anders kan worden verklaard dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

De wrakingskamer overweegt dat uit de hiervoor onder 1 e tot en met 1 j. weergegeven feiten volgt dat de rechter, toen bleek dat een nieuw rechtshulpverzoek moest worden ingediend, in zijn correspondentie en contacten met de liaisonofficier en het Openbaar Ministerie telkens heeft benadrukt dat men zich moest realiseren dat het niet ging om de eerder in het in 2016 ingediende verzoek genoemde 27 getuigen, maar om 50 getuigen. De rechter heeft daarbij telkens om een update van de stand van zaken gevraagd. Vervolgens is het nieuwe verzoek tot het horen van getuigen ingediend. Uit een e-mail (van 2 mei 2017 12:12 bijlage bij processtuk 4) volgt dat daar door de directeur van de Criminal Investigation Departement vragen over werden gesteld. Vervolgens is de indiening van het (nieuwe) verzoek vanaf 19 mei 2017 aangehouden in verband met op handen zijnde schikkingsonderhandelingen tussen het Openbaar Ministerie en de raadslieden van verzoekers. Toen bleek dat de schikkingsonderhandelingen waren gestrand heeft de rechter zich afgevraagd of het beslag dat op de capaciteit van het kabinet zou moeten worden gelegd om een dergelijk groot aantal getuigen in China te horen wel verantwoord was. Versterkt door het bericht van de liaisonofficier dat de Chinese autoriteiten grote vraagtekens hadden gezet bij het onderhavige verzoek, en naar aanleiding van de mededeling van het Openbaar Ministerie dat het na wilde denken over het seponeren van zaakdossiers, is de rechter in gesprek gegaan met het Openbaar Ministerie, omdat door het Openbaar Ministerie geen definitieve keuze werd gemaakt. Eerst toen de uiteindelijke keuze was gemaakt over welke verdenkingen onvoorwaardelijk werden geseponeerd, is de verdediging geïnformeerd over de recente ontwikkelingen.

Dat de rechter al sinds 2 december 2016 bekend was met het feit dat China niet genegen was nog enige medewerking te verlenen aan aanvullende rechtshulpverzoeken omdat China al uitvoering had gegeven aan de verzoeken van het Openbaar Ministerie, volgt, anders dan door de raadslieden betoogd, niet uit proces-verbaal van bevindingen van de liaisonofficier van 23 oktober 2017. Dit in algemene bewoordingen opgemaakte proces-verbaal geeft in grote lijnen weer op welke wijze rechtshulpverzoeken aan de Chinese autoriteiten moeten worden aangeboden en welke instanties daarmee belast zijn. Verder schetst het proces-verbaal in het algemeen de samenwerking tussen de betrokken instanties onderling en geeft het weer welke standpunten over de rechtshulpverzoeken de Chinese autoriteiten in de loop van 2017 aan de liaisonofficier hebben meegedeeld.

Uit het voorgaande volgt dat de door de verzoekers gewraakte handelwijze van de rechter is ingegeven door organisatorische en andere belangen. Daarbij diende de rechter te laveren tussen Scylla en Charybdis. Hij moest rekening houden met de complexe rechtshulprelatie met China, met het door de rechter te behartigen belang van de voortgang van de zaak en afdoening daarvan binnen een redelijke termijn, met de belangen van alle verdachten (waaronder verzoekers) en met de capaciteit van het kabinet van de rechter-commissaris. De rechter diende af te wachten wat de definitieve keuze was van het Openbaar Ministerie in de verder te vervolgen dossiers. Toen de keuze door het Openbaar Ministerie was gemaakt, heeft de rechter gegeven die keuze de lijst met getuigen opgesteld. Dat de rechter daarover niet in een eerder stadium heeft gecommuniceerd met de verdediging heeft dus te maken met het feit dat de keuzes van het Openbaar Ministerie nog niet vastlagen. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, gelet op het feit dat het gaat om een omvangrijk en langdurig onderzoek, kan gelet op de gang van zaken niet worden gezegd dat de beslissing van de rechter de raadslieden niet eerder op de hoogte te stelen van het advies van de liaisonofficier dermate onbegrijpelijk is dat dit redelijkerwijze niet anders kan worden verklaard dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Dit volgt evenmin uit hetgeen overigens is gesteld of gebleken.

Dat de rechter de verdediging op de regiebijeenkomst van 21 september 2017 en bij brief van 26 september 2017 onjuist zou hebben geïnformeerd over zijn kennisname van de door het Openbaar Ministerie aangebrachte prioritering ten aanzien van de te vervolgen zaakdossiers volgt niet uit de feiten en evenmin uit de overgelegde stukken. Dat geldt ook voor de indruk die bij de verdediging is gewekt dat de rechter zich door het Openbaar Ministerie heeft laten leiden met betrekking tot het toetsen van het verdedigingsbelang van de getuigen op de lijst. Die keuzes zijn gemaakt op grond van hetgeen door het Openbaar Ministerie aan de rechter is meegedeeld over de keuze die het heeft gemaakt uit de te vervolgen dossiers.

Dat de 140 Sr-tenlastelegging tot op heden ongewijzigd is gebleven doet aan het voorgaande niet af. Immers de tenlastelegging kan tot aan de inhoudelijke zitting worden gewijzigd en de rechter heeft in zijn e-mails van 22 en 28 september 2017 aan de raadslieden medegedeeld dat het Openbaar Ministerie expliciet heeft toegezegd dat door de seponering van het zaakdossier Iron Horse de daarin verweten handelingen niet langer onderdeel zijn van het zaaks dossier 140 Sr en dat het Openbaar Ministerie nog zal bezien hoe de tenlastelegging en het betreffende 4zaakdossier daarop zouden worden aangepast. Dit is tijdens de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoeken door het Openbaar Ministerie bevestigd.

De slotsom is dat geen feiten of omstandigheden zijn komen vast te staan die de kennelijk bij verzoekers bestaande vrees voor partijdigheid objectief kunnen rechtvaardigen. Hoewel één van verzoekers ten tweede male zijn wrakingsverzoek niet gehonoreerd ziet, kan – anders dan door het Openbaar Ministerie bepleit - niet worden geconcludeerd dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid om wraking te verzoeken.

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

De rechtbank wijst de verzoeken tot wraking af.

Lees hier de volledige conclusie.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF