HR herhaalt relevante overweging m.b.t. verstekverlening & aanwezigheidsrecht

Hoge Raad 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2315

De verdachte is bij arrest van 20 juli 2016 door het gerechtshof Amsterdam bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarbij de verdachte wegens belaging is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en tot een taakstraf van 120 uren.

Middel

Het eerste middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, aangezien deze ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens het proces-verbaal van de zitting is verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden en is het gesloten. Na de sluiting van het onderzoek heeft het Hof de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL: HR:2002:AD5163, NJ 2002/317).

Uit de hiervoor onder 2.2.1 weergegeven inhoud van het proces-verbaal moet worden afgeleid dat de verdachte kort voor de aanvang van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep aanwezig was in het gebouw van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem en dat het bij het Hof niet bekend was "of hij daar voor deze of een andere zaak was". Voorts blijkt daaruit dat het Hof de mogelijkheid aanwezig heeft geacht dat sprake is van het vermoeden, zoals bedoeld in art. 509a, eerste lid, Sv, dat de geestvermogens van de verdachte zodanig gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen.

Gelet op deze omstandigheden is het oordeel van het Hof dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en dat tegen hem verstek kon worden verleend niet zonder meer begrijpelijk.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF