HR herhaalt relevante overweging m.b.t. kosten die voor aftrek van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking komen

Hoge Raad 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:834

De betrokkene is in de hoofdzaak veroordeeld voor onder meer het medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij art. 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren. De ontnemingsvordering is gebaseerd op deze veroordeling.

De betrokkene heeft samen met anderen een geldtransactiekantoor gedreven, door geldtransacties te verrichten en daarbij gebruik te maken van het systeem van ‘hawala-bankieren’. Dit betreft een systeem van ondergronds bankieren, dat wordt gebruikt voor het overdragen van geldbedragen tussen personen in Nederland en personen in het buitenland.1 Daarbij worden contante bedragen in bepaalde valuta bij een buitenlandse ‘bankier’ ingeleverd teneinde in andere valuta door een andere ‘bankier’ in een ander land aan de begunstigde te worden uitgekeerd.

De inschuld die zodoende ontstaat bij de uitkerende ‘bankier’ wordt niet voldaan door fysiek transport van gelden, maar door onderlinge verrekening tussen de ‘bankiers’. De betrokkene heeft opgetreden als een dergelijke ‘bankier’.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 13 oktober 2015 het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 117.227,14 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 113.227,14.
 

Middel

Het zesde middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de kosten voor het in stand houden van videotheek A niet worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel, onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
 

Beoordeling Hoge Raad

De raadsman van de betrokkene heeft blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep overlegde pleitnotities het volgende aangevoerd, voor zover van belang:

"3.4.1. Videotheek A

In het dossier wordt geconcludeerd dat de videotheek slechts diende als dekmantel voor het wisselen van geld. Dat houdt in dat het gaat om een kostenpost die in mindering gebracht moet worden op de opbrengst. Dat de rechtbank die conclusie niet trok is raadselachtig. In dit dossier kan niet volgehouden worden dat de videotheek een ander doel diende. Zoals blijkt uit de Nota ter motivering SFO: 'de videotheek fungeert enkel als dekmantel voor de witwasactiviteiten'. Ook wijs ik u op de inleiding van het dossier Mansoor: 'het onderzoek richt zich op het witwassen van geld vanuit videotheek A ' en 'Uit internationaal onderzoek waarvan ook zeker ook in Nederland bevestiging gevonden kan worden, blijkt, dat de undergroundbankorganisatie meestal detailwinkels gebruikt. Deze fungeren als 'bankfilialen'' en 'Gedurende het onderzoek Mansoor bleek dat meerdere personen gebruik maakten van de financiële dienstverlening van Videotheek A door het vermoedelijk witwassen van gelden'. Kortom, de kosten van videotheek A staan in direct verband tot de opbrengsten uit het wisselen van geld."

Het Hof heeft dat verweer als volgt verworpen:

"Kosten videotheek A (...)

Het hof overweegt dat uit het dossier is gebleken dat Videotheek A geen winst maakte, derhalve geen voordeel genereerde en daarom zal hier bij de schatting van de kosten dan ook geen rekening mee worden gehouden."

Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering.

Indien evenwel namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven (vgl. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200, NJ 2002, 124).

De door het Hof aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegde omstandigheid dat de videotheek geen winst maakte en dus geen voordeel genereerde, kan de verwerping van het in het middel bedoelde verweer niet dragen. Daaruit kan immers niet worden afgeleid dat de kosten van de videotheek niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het bewezenverklaarde delict, dan wel die kosten wel als zodanig kunnen gelden maar voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 


Print Friendly and PDF