HR herhaalt: betrouwbaarheid bekennende verklaring van verdachte & UOS

Hoge Raad 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780

De verdachte is bij arrest van 15 september 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering nog het volgende overwogen:

"Betrouwbaarheid verklaringen verdachte

Het hof heeft kennis genomen van het rapport van prof. dr. R. Horselenberg, rechtspsycholoog, d.d. 27 maart 2017 verbonden aan The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI). De uiteindelijke conclusie is:

'De omstandigheden tijdens de verhoren in 2014 geven meer aanleiding wijzen meer op een gebrek aan validiteit van de bekennende verklaringen van verdachte dan de ook al niet zo gunstige omstandigheden in 2013. Het gehele proces in aanloop tot zijn verklaringen zijn dusdanig ongunstig dat dat leidt tot meer steun aan het scenario dat de bekentenissen van verdachte onjuist zijn dan aan het scenario dat ze juist zijn.'

Zoals uit de bovenstaande weergave van de bewijsmiddelen blijkt, zijn door het hof wel de bekennende verklaringen van verdachte tot het bewijs gebezigd. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van valse bekentenissen. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol.

In 2013 is verdachte zestien keer verhoord en heeft hij enkele maanden in voorlopige hechtenis verbleven. In deze verklaringen heeft verdachte ontkend slachtoffer om het leven te hebben gebracht. Op 1 februari 2014 meldde verdachte zich bij de politie. Hij is toen direct op 1 februari kort gehoord en daarna nog driemaal verhoord in een bestek van enkele dagen. In drie van deze verhoren heeft hij een bekennende verklaring afgelegd. Op 31 maart 2014 ontkent hij wederom de moord gepleegd te hebben.

Op 1 februari 2014 meldt de verdachte zich bij de politie en legt onmiddellijk een verklaring af, onder andere inhoudend:

'Hij is door mij om het leven gekomen. Ik heb hem met een pistoolschot gedood. Dat schot is van mij afkomstig. (...) Na de moord heb ik het pistool weg gegooid, volgens mij kwam het aan de overkant van de vijver terecht.'

In de literatuur omtrent valse bekentenissen wordt bij de totstandkoming van valse verklaringen een belangrijke betekenis toegekend aan druk die uitgaat van de verhoorsituatie. Zo betoogt prof. mr. E. Rassin in Trema in een artikel waarin een overzicht wordt gegeven van het wetenschappelijk onderzoek naar valse bekentenissen dat (sociale) druk die wordt uitgeoefend tijdens het politieverhoor een rol speelt bij het ontstaan van valse bekentenissen (Trema, juni 2013, p. 203). Uit dit artikel komt naar voren dat verhoortechnieken, zoals het doen van beloftes of het minimaliseren van de feiten, tot gevolg heeft dat het aantal valse bekentenissen stijgt (Trema, juni 2013, p. 205).

In 2013 is er sprake geweest van het veelvuldig verhoren over een langere periode. Het kan niet anders zijn dan dat er alleen al door het aantal verhoren door de verdachte daarbij een druk is ervaren. Dit heeft er echter niet toe geleid dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de dood van slachtoffer. De verdachte werd op 3 juni 2013 in vrijheid gesteld.

Op 1 februari 2014 wendt de verdachte zich tot de politie en legt onmiddellijk een bekentenis af. Druk van de zijde van de verhoorders kan daarbij volgens het hof dus geen rol hebben gespeeld. Ook kan daarbij geen rol hebben gespeeld het al dan niet voorhouden van aanwezig bewijsmateriaal, of de wijze van vraagstelling, dan wel andere verhoortechnieken. Wat niet in de overwegingen van de deskundige Horselenberg wordt meegenomen maar wat zich wel kan voordoen, is het feit dat een persoon niet kan leven met hetgeen er is voorgevallen en zich daarom tot de politie wendt om schoon schip te maken.

Het zich tot de politie wenden om een verklaring af te leggen omdat de betrokkene niet meer kan leven de dood van een ander op zijn geweten, is niet uniek en komt vaker voor in zeer ernstige strafzaken. Het hof heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring die de verdachte 'spontaan' en duidelijk en ondubbelzinnig tegenover de politie aflegt, nu dit optreden daar het gevolg van kan zijn geweest, te meer nu verdachte in de daarop volgende dagen de bekentenis heeft herhaald.

Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. In 2013 was de verdachte opgenomen in B. B is een laagdrempelige en christelijke woon- en leefgemeenschap in Beekbergen en is een locatie van ggz-instelling C. De verdachte is eind januari 2013 bij B gekomen. Vanuit deze leefgemeenschap heeft een tweetal personen onafhankelijk van elkaar contact opgenomen met de leiding van de leefgemeenschap in verband met uitlatingen die door de verdachte zijn gedaan. De eerste persoon die hierover heeft verklaard is getuige 6. Hij is een gepensioneerd ondernemer die als vrijwilliger naar B gaat om contact te leggen met de bewoners. Getuige 6 is onder ede door de raadsheer-commissaris gehoord, waarbij hij zijn eerdere verklaring bij de politie bevestigde, zijnde dat hij van verdachte had gehoord dat hij een groot probleem had, dat hij iemand had vermoord en hij die persoon had achtergelaten. De getuige 6 bracht naar voren dat hij normaal de vertrouwelijkheid van de bewoners niet wilde schenden, maar dat hij dit zodanig ernstig vond dat hij dit gemeld had aan getuige 5. De tweede getuige die hierover bij de politie heeft verklaard is getuige 7. Onder ede is deze verklaring bij de raadsheer- commissaris bevestigd en heeft hij verklaard dat
verdachte vertelde dat hij iemand had vermoord en daarbij reuze aan het huilen of aan het snotteren was.

Naar het oordeel van het hof zijn deze twee verklaringen om tweeërlei redenen van belang. Uit deze verklaringen komt naar voren dat de verdachte worstelde met het feit dat hij een moord had gepleegd. Het zich een jaar later tot de politie wenden om van deze last bevrijd te zijn, past binnen deze gewetensnood. Ten tweede zijn deze verklaringen van belang omdat hieruit naar voren komt dat verdachte niet alleen jegens de politie, maar ook jegens anderen een levensdelict heeft erkend.

Dat een verdachte na bekentenissen te hebben afgelegd weer ontkent, is ook geen onbekend gegeven. Een ander aspect waarom het hof geen acht slaat op de ontkennende verklaringen van verdachte is het feit dat hij stelt in de namiddag van de dag waarop slachtoffer is overleden een persoon te hebben ontmoet, dan wel met een of meer personen een afspraak te hebben gehad, maar vervolgens de naam of namen van die persoon of personen niet wil noemen. Het gaat daarbij om de cruciale tijd waarin het slachtoffer om het leven is gekomen en om de cruciale vraag of de wegen van de verdachte en slachtoffer zich hebben gescheiden voor het overlijden van slachtoffer. Het hof gaat ervan uit dat wanneer de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn hij deze gegevens - die hem immers een alibi zouden kunnen verschaffen - aan het hof zou meedelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de betrokkene er niets mee te maken heeft dan wel dat hij die persoon of personen niet in moeilijkheden wil brengen. Dit antwoord overtuigt het hof niet. Het hof ziet niet in hoe de enkele vraag aan de betrokkene(n) of zij de verdachte die middag hebben getroffen, deze persoon of personen in moeilijkheden zouden kunnen brengen. Ook het feit dat de betrokkene(n) niets met deze zaak te maken hebben overtuigt niet als verklaring van het niet willen noemen van de namen, maar zou eerder een reden zijn om dat juist wel te doen. Het hof is dan ook van oordeel dat de persoon of personen die verdachte getroffen zou hebben, dan wel waarmee hij een afspraak had, niet bestaan. Er ligt een aanklacht van een levensdelict jegens verdachte, het hof gaat ervan uit dat onder die omstandigheden, wanneer de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn, hij op dit punt openheid van zaken zou geven. Het deskundigenrapport betrekt dit punt naar het oordeel van het hof ten onrechte niet in de beoordeling.

In de algehele conclusie van de deskundige is het volgende opgenomen:

'In zijn bekennende verklaringen ging verdachte steeds dichter naar het verhaal van de politie. De verhoorders moedigen hem daar ook toe aan door hem veelvuldig feedback te geven op de inhoud van zijn verklaringen. Hetgeen hij uiteindelijk inhoudelijk verklaarde, is waarschijnlijk tot stand gekomen op basis van die feedback, in combinatie met informatie uit het dossier, dat verdachte zowel in 2013 als in 2014 tot zijn beschikking had. Alle informatie die verdachte in zijn bekennende verklaringen gaf, kan op andere plaatsen - het dossier of de verhoren - worden teruggevonden.'

Het hof deelt deze conclusie met betrekking tot de bekennende verklaringen niet en wijst daarbij bijvoorbeeld op het volgende onderdeel.

In de bekennende verklaringen van verdachte wordt gesproken over het weggooien van een tas en van een wapen, hetgeen een aantal malen terugkomt; het ene zou links, het ander rechts zijn weggegooid en allebei in het water.

Op p. 330 van deeldossier A staat hierover:

'Aan verdachte wordt een foto van een luchtopname getoond met daarop de diverse vijvers gelegen langs het looppad waarover verdachte zou zijn weggelopen.

Verdachte tekent vervolgens in dat hij in het water aan de rechterzijde van het pad het wapen heeft weggegooid. Verdachte zegt verder: Hier ligt ook water (...), maar als je dan verder loopt heb je aan de linkerkant ook water meen ik. Dat weet ik zeker. Aan de linkerkant moet ook water zijn. En daar heb ik die tas gegooid. (...)

En hier zo vooraan vrij vooraan heb ik het wapen gegooid. Ik wilde het in de plomp gooien maar het kwam op de kant. Ik wilde teruglopen maar was bang dat iemand het zag, dus ik dacht, nee, loop maar door. Ik had die tas ook nog in mijn hand en daar zat allemaal rotzooi in. Ik heb ook nog handschoenen weggegooid. Die zaten in de tas. Die heb ik ook weg gegooid. (...)

En toen had ik die tas van slachtoffer en die heb ik daar weggegooid aan de linkse kant in het water.

V: In welke volgorde heb je de spullen weggegooid. Weet je dat nog?

A: Ja, eerst het wapen en toen de handschoenen. Die heb ik in elk geval aan de rechter kant weggegooid. Die zaten in de tas. Die heb ik ook weggegooid.

En toen had ik die tas van slachtoffer en die heb ik daar weggegooid aan de linkse kant van het water.

V: In welke volgorde heb je de spullen weggegooid. Weet je dat nog?

A: Ja eerst het wapen en toen de handschoenen. Die heb ik in elk geval aan de rechterkant weggegooid. Eén is volgens mij in het water terecht gekomen. Ik weet het niet meer. Die heb ik dezelfde kant uitgegooid als het wapen maar dan misschien ietsjes verder op. Daarna heb ik de tas weggegooid in elk geval aan de linkerkant. Daar moet ook ergens een vijvertje zijn of een water. Daar heb ik die tas zo in geflikkerd.

V: Daar waar ik de tas weg heb gegooid was aan twee kanten water. Zeg ik dat zo goed?

A: Dat weet ik niet meer zeker maar links was in elk geval water en daar heb ik die tas gegooid. Dat weet ik zeker. Aan de linkse kant. Niet aan de rechterkant waar ik dat wapen en die handschoenen heb gegooid.

V: Ik heb hier nog een klein stukje uitvergroot voor me liggen, maar dan van een andere hoek uit.

Opmerking verbalisant: verdachte kijkt mee op de luchtopname en zegt: Aan de linkse kant moet ook water zijn. Als je hier loopt moet er aan de linkerkant ook water zijn. Dat weet ik zeker. Vooraan heb ik dat wapen gegooid maar verderop aan de linker ook zo'n slootje of zo waar water was. Of ben ik nu gek aan het worden. Nee dat weet ik zeker. Aan de linkerkant moet je ook water hebben.'

Het verhoor gaat verder over andere kwesties maar komt later terug op het weggooien van de goederen, op p. 334 van deeldossier A:

'V: Ik heb nog een luchtfoto. We zijn aan het kijken of we de plek kunnen zien waar aan twee kanten water is. Maar dat kunnen we op deze foto niet zien.

(Opmerking verbalisant: verdachte kijkt mee op de foto.)

A: Ik ben echt in de veronderstelling verbalisant 1, dat ik aan de linkse kant die tas heb gegooid en aan de rechterkant het wapen.

Het kan niet zijn, dat ik zeg maar zo of is hier nog een pad tussen het waar daar en? Als ik van het Job af kom ligt aan de rechtse kant water waar ik het wapen heb gegooid, niet direct aan het begin, maar verder door, daar is aan de linkerkant ook water.

V: Dat is op deze kaarten niet te zien.

A: Dat weet ik zeker dat daar water is. Daar heb ik hem ingegooid. Jawel, weet ik zeker. Ik ben toch niet gek.

V: Ben je het wapen ooit gaan zoeken?

Nee, Ik zeg toch, toen ik het wapen gooide en aan de kant kwam wou ik eigenlijk, verbalisant 2, terug, maar omdat ik dan helemaal terug moest lopen, dacht ik nee laat maar, ik loop door. Want voor hetzelfde geld, het was schemerig dit en dat, mensen kunnen je zien of wat dan ook, ben ik door gelopen. De afstand was niet zo groot, dus in paniek gooide ik het wapen weg, Ik dacht die komt in die plomp, maar hij kwam aan de zijkant. Maar als ik hier zo dinge, moest ik helemaal terug lopen.

Maar hier moet ook water zijn. Hier zo.

Opmerking verbalisant: verdachte wijst op een luchtopname naar een gebied aan het einde van de drie driehoekige vijvers. Hij is er stellig van overtuigd dat daar aan de linkerkant ook water moet zijn.

Verdachte wijst aan en zegt:

A: Hier zo, hier moet aan de linkerkant ook water hebben gestaan. Maar jullie kunnen toch na kijken waar jullie die tas hebben gevonden.

V: Ja daar zijn foto 's van maar die moeten we nog nakijken.

A: Ja moet aan de linkse kant gevonden zijn. Of ik moet me zo vergissen dat ik die ook aan de rechtse kant heb gegooid. Nee. Ik heb die aan de linkse kant gegooid.'

Uit deze verklaring van verdachte komt niet naar voren dat hij gesouffleerd wordt door de verbalisanten of uit eerdere kennis uit het dossier citeert. Hij vraagt nog aan de verbalisanten om het na te kijken waar de tas gevonden is. De verbalisanten merken op dat de bekeken luchtfoto's zich niet eerder in het dossier hebben bevonden. Wanneer de verbalisant samenvat dat er dus aan beide kanten water was, wordt dat door de verdachte niet beaamd. Hij stelt: 'ik weet zeker, dat er links water was.'

Uit een opmerking van de verbalisanten in het proces-verbaal blijkt dat het inderdaad klopt wat de verdachte naar voren brengt. Er wordt namelijk opgemerkt dat als het pad eerst gevolgd wordt aan de linkerzijde van de drie driehoekige vijvergedeelten, het pad daarna over een duiker verder loopt en zich vervolgens vervolgd aan de rechterzijde van het water. Het water bevindt zich dan dus links van de verdachte, gezien zijn looprichting.

Met betrekking tot het rapport merkt het hof het volgende op:

In het rapport van Horselenberg wordt niet alleen een oordeel gegeven over de verklaringen van verdachte, maar wordt ook een oordeel gegeven over het optreden van de politie en de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Niet alleen strekt de vraagstelling zoals deze aan de deskundige is gesteld, zich daar niet toe uit, de expertise van de deskundige ligt ook niet op het vlak van de beoordeling van deze bewijsmiddelen of het al dan niet juist functioneren van de politiefunctionarissen. Het lijkt erop dat de deskundige zich gaandeweg het rapport meer tot zijn taak heeft gezien aan te tonen dat de politie in het onderzoek van deze zaak broddelwerk heeft verricht, dan zich te concentreren op de vraagstelling van het gevraagde onderzoek.

Het hof geeft hiervan een - niet uitputtend - overzicht van enkele in het rapport genoemde punten. Hierbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat de opdracht van het onderzoek, zoals door de raadsheer-commissaris geformuleerd is: "te rapporteren over de geloofwaardigheid c.q. betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde verklaringen, zowel de bekennende als de ontkennende".

Door de deskundige Horselenberg wordt kritiek geleverd op het optreden van de politie in 2013. Zoals gezegd de verdachte heeft in 2013 steeds ontkend.

In het rapport staat op p. 20 met betrekking tot de verklaring van de getuige getuige 7 het volgende:

'De politie gaat er van uit dat het verhaal van de getuigen klopt. Het verhoor van getuige 7, de bron van polities kennis over verdachte daderschap, verliep echter als volgt:

"V: Wat zei verdachte tegen jou toen hij bij je kwam?

A: Hij zei dat hij niet kon bidden. Toen zat hij daar en toen hoorde ik dat in mijn geest. Zo helder als u tegen mij praat.

V: Wat hoorde jij?

A: 'Hij heeft iemand vermoord.'

V: Is hetgeen jij gehoord hebt eerder besproken in woorden?

A: Met niemand."

Die verklaring vergt veel additionele vragen die door de politie niet zijn gesteld. Blijkbaar hoorde de getuige stemmen in zijn hoofd en legde verdachte niet daadwerkelijk een bekentenis tegen hem af. Dat was voor de politie geen probleem. Ze beoordeelden de getuige zelfs als eerlijk. Dat is wederom een aanwijzing dat de verhoorders ervan overtuigd zijn dat belastende getuigen de waarheid spreken en verdachte liegt.'

De getuigenverklaring van getuige 7 wordt daarmee enigszins in het belachelijke getrokken en de mening dat de politie toch wel erg dom is om dit te geloven, komt duidelijk naar voren. Echter uit de weergave van het verhoor p. 419 tot 421 (deeldossier B) van getuige 7 komt naar voren dat wel degelijk is doorgevraagd en is op p. 420 het volgende opgenomen:

"Toen brak hij en begon te huilen. En dat ik tegen hem zij "Zullen we bidden”en dat hij had beleden. Ik hoorde dat hij zei: "Vader vergeef me dat ik die persoon heb vermoord". Toen begon hij te huilen en brak hij nog meer. Ik heb hem niet meer vragen daarover gesteld, behalve dat ik daarna met hem heb gebeden."

Bovendien is de stelling van de deskundige dat verdachte niet daadwerkelijk een bekentenis jegens getuige 7 heeft afgelegd gezien bovenstaande tekst, niet juist. Deze verklaring heeft getuige 7 bovendien onder ede bij de raadsheer-commissaris bevestigd.

Daarnaast lag er nog de hierboven aangehaalde verklaring van getuige 6, dat verdachte in een gesprek tegenover hem eveneens tijdens het verblijf in B had meegedeeld dat hij een moord had gepleegd. Een verklaring die eveneens onder ede tegenover de raadsheer-commissaris is herhaald.

Over het optreden van de politie wordt vervolgens op p. 20 van het rapport gezegd:

'De overtuiging van de verhoorders blijkt ook uit hoe ze omgaan met het andere bewijs in de zaak. Ze presenteren de belastende waarde van het bewijs te stellig. Zo zeggen ze tegen verdachte dat collega's uit Weert hem met 100% zekerheid op camerabeelden hebben herkend. Uit het proces-verbaal van bevindingen van die herkenning blijkt echter een meer genuanceerde formulering:

"Aan collega verbalisant 3 werd gevraagd of hij de persoon die in gezelschap was van slachtoffer kende. Collega verbalisant 3 verklaarde daarop dat hij de persoon die in gezelschap was van slachtoffer niet herkende. Na het bekijken van de beelden verklaarde verbalisant 3 dat hij wel kon zeggen dat de bedoelde persoon op de beelden vermoedelijk een Aziatisch uiterlijk had en dat hij 1 persoon uit het Weert kende uit de drugscène met een Aziatisch uiterlijk. Verbalisant 3 noemde daarbij de naam van verdachte. Verbalisant 3 kon echter niet zeggen of de bedoelde persoon op de camerabeelden verdachte was omdat hij verdachte al bijna een jaar niet meer gezien had en hem ook niet meer goed voor de geest kon halen."

Ik heb zelf de betreffende camerabeelden bekeken en daarbij gezien dat het lastig is om daarop een persoon te herkennen, zelfs als van tevoren een signalement bekend is. De vermeende herkenning van de agenten uit Weert is derhalve eerder gebaseerd op het feit dat verdachte de enige bij de politie bekende Aziatische persoon in Weert is, dan op een daadwerkelijke herkenning.'

Waar het echter voor wat betreft het onderzoeksrapport en het beoordelen van de afgelegde verklaringen door de verdachte om gaat, is de vraag of de politie de verdachte door het presenteren van het bewijsmateriaal al dan niet op het verkeerde been heeft gezet en vervolgens de vraag of die wijze van verhoren de verdachte bij het afleggen van zijn verklaringen heeft beïnvloed en al dit al dan niet heeft geleid tot een valse bekentenis. Het is niet de taak van de deskundige om te beoordelen of het koppelen van de beelden aan een persoon al dan niet terecht is en of de wijze waarop dat proces-verbaal wordt voorgehouden aan de verdachte wel op een juiste wijze is geschied nu deze niet overeenkomstig de tekst is van het proces-verbaal.

Het gaat erom dat wordt voorgehouden aan de verdachte dat hij op het station in Venlo op de camerabeelden staat samen met slachtoffer. Dit is juist. Uit het gehele procesdossier weet het hof dat die mededeling van de politie juist is geweest. Verdachte heeft samen met slachtoffer in Venlo een kaartje gekocht en is naar Weert gereisd. Daar hebben zij samen een taxi genomen. Dit is door de verdachte ook bij de politie verklaard en ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.

Ook in de volgende passage gaat de deskundige in op de kwaliteit van het politie onderzoek en de conclusies die de politieambtenaren trekken:

'De politie had kennelijk geen probleem met de matige kwaliteit van de camerabeelden en meende daarop te zien welke schoenen verdachte die dag aanhad. De verhoorders gaan er op basis van de beelden vanuit dat verdachte die dag schoenen van het merk Converse aan had. Ze proberen verdachte dat te laten toegeven door hem te confronteren met een foto van de zool van zijn Converse schoen. Die zool is echter niet op de camerabeelden te zien. Dat het Converse-schoenen zijn, kan alleen worden afgeleid uit een witte rand op de beelden. De verhoorders gaan daarbij voorbij aan de mogelijkheid dat andere (sport)schoenen ook een dergelijke witte rand hebben.'

Het hof benadrukt nogmaals: het is niet de taak van de deskundige om het politieonderzoek over te doen en zelf te gaan speuren of datgene wat de politie opschrijft wel klopt met hetgeen op de beelden te zien is. Het is niet de bedoeling dat de deskundige al het bewijsmateriaal nog eens onder de loep neemt. Het dient blijkens de opdracht van de raadsheer-commissaris in het rapport te gaan om de beoordeling van de verklaringen van de verdachte.

In de verklaring van de verdachte bij de politie d.d. 28 februari 2013 staat hierover het volgende (p. 69 van deeldossier A).

'V: verdachte, jij hebt ons verklaard dat jij op woensdag 9 januari 2013 schoenen droeg. Wij hebben schoenen bij jou in beslag genomen van het merk Converse. Droeg jij die schoenen op woensdag 9 januari 2013?

A: Ik weet zeker dat die ik die dag die schoenen niet aanhad. U laat mij een foto zien en ik weet niet of dat mijn schoen is. Ik heb zeker schoenen van het merk Converse.

V: Waar zijn jouw Converse schoenen?

A: Weet ik niet. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht. Zoek het maar allemaal uit.

V: Ik deel jou mede dat die schoenen bij jou in beslag genomen zijn? Wat heb jij daarop te zeggen?

A: Als het mijn schoenen zijn dan zijn het mijn schoenen. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht.

V: Jij gaf gisteren aan dat jij een keer van de zomer bent geweest bij de Jongeren opvang plek (JOP), klopt dat?

A: Ik ben het niet geweest bij slachtoffer. Ik heb daarop niets toe te voegen. Ik heb niets te doen met de moord van slachtoffer. Gisteren heb ik verklaard dat ik maar een keer bij het Job ben geweest. Misschien ben ik er vaker geweest. In bijzin van betrokkene 2 en noem maar op. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht. Andere mensen kunnen dat ook bevestigen.

M: Deze schoenen worden op het laboratorium onderzocht. Ook vindt er een vergelijkend schoenspoor onderzoek plaats.

Jij hebt ons ook verklaard dat jij niet meer hebt omgekleed die middag. Jij hebt ons ook verklaard dat je slechts een keer in het Job in Weert bent geweest, alwaar het stoffelijk overschot is gevonden van slachtoffer en dat dit in de zomer was.

Op de plaats waar slachtoffer is gevonden heeft uitgebreid sporenonderzoek plaats gevonden. Uit dit onderzoek is vast komen te staan dat zich in het bloedspoor wat zich bij het hoofd van slachtoffer bevond een schoenspoor staat afgedrukt. Uit de eerste optische onderzoeken lijkt het hier te gaan om een schoenafdruk gelijkend op de schoenen die jij op dat moment droeg. Ik toon je nu een foto van de onderzijde van jouw schoen. Je kan hierop duidelijk het profiel zien. Ik toon je nu ook een foto van het schoenspoor wat gevonden is in het bloedspoor van slachtoffer.

V: Wat kan jij daarop verklaren?

A: Mooi maar het kan niet mijn schoen zijn geweest. Ik ben daar niet geweest. Het kan niet van mij zijn. Ik ben het niet geweest.

V: Jij zegt als deze schoen onderzocht wordt dan is het onmogelijk dat die gelijkend is aan de afdruk gevonden op de plaats waar slachtoffer dood aangetroffen werd? Wat heb jij daarop te zeggen?

A: Ik zou niet weten hoe dat kan. Nee dat kan gewoon echt niet.'

De stelling van de onderzoeker is dat de conclusies door de verbalisanten te snel zijn genomen en zij niet zorgvuldig met het bewijs omspringen. Daarom rijst de vraag of de mededeling van de verbalisant met betrekking tot de schoenen juist is geweest. Het hof is van oordeel dat uit het voorhanden zijnde procesdossier inderdaad kan worden afgeleid dat verdachte de betreffende schoenen droeg op de bewuste dag.

Uit het proces-verbaal van verhoor (p. 145 van deeldossier A) komt naar voren dat verdachte een beperkt aantal schoenen bezat.

'V: Wij tonen jou een foto van 3 paar schoenen. Deze foto wordt als bijlage 8 bij dit proces-verbaal gevoegd. Deze schoenen stonden onder jouw bed. Van wie zijn deze schoenen?

A: Er moet nog een paar schoenen zijn toch? Alle drie de paren zijn van mij.

V: En welke schoenen mis je hier dan op?

A Zwarte bergschoenen. Die stonden onder het bed of in de kast.

V: We laten jou even bijlage 20 zien. In die kast zien we een paar bergschoenen staan. Bedoel je deze?

A: Ja die bedoel ik. En die hebben jullie ook niet leeggehaald?

V: Welke andere schoenen heb je nog meer?

A: Die ik aan had, maar die hebben ze toch ook? Zwart met groene strepen. Nike airmax of zo.'

Door de verdachte is niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij op de betreffende dag een paar schoenen van een andere persoon zou hebben gedragen. De vraag is dus niet of een willekeurig paar sportschoenen er op de camera eveneens zo uitziet, maar of je uitgaande van de vijf paren schoenen die de verdachte had, de conclusie kan trekken dat verdachte deze schoenen droeg, mede in het licht van het overige bewijsmateriaal zoals hierboven aan de orde gekomen.

De vraag of de deskundige vindt dat de politie op basis van het beschikbare materiaal al dan niet een bepaalde conclusie mag trekken, is geen onderdeel van de onderzoeksvraag en bovendien wordt de conclusie naar het oordeel van het hof door de deskundige op bovenstaande gronden ten onrechte getrokken.

Dit geldt ook voor het volgende onderdeel van het rapport. De deskundige (p. 21 van het rapport) heeft het volgende opgenomen:

'Een ander bewijsmiddel dat de verhoorders wel erg stellig presenteren, zijn de telecomgegevens. Tijdens een confrontatie met de gebeurtenissen van de bewuste middag zeggen ze tegen verdachte dat zijn telefoon zich onder de mast van de plaats delict bevond. Daarmee wordt geïmpliceerd dat hij op de plaats delict is geweest. verdachte beweert echter dat hij op een andere plaats in Weert was. Uit een plattegrond die het bereik van de verschillende zendmasten rondom de plaats delict weergeeft met cirkels, blijkt dat de plaats delict onder twee verschillende cirkels valt, waarvan één meer dan drie keer zo groot is als de andere vier cirkels op de kaart. Daarnaast blijkt uit een onderzoek dat op de plaats delict via alle op de kaart weergegeven masten een gesprek gevoerd kon worden. De aanstraling, die de politie gebruikt als ondersteuning voor de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict, lijkt niet aan te duiden waar verdachte zich daadwerkelijk bevond. De stelligheid waarmee die bevinding aan verdachte wordt gepresenteerd, kan niet worden verantwoord en past niet bij de conclusies in het proces-verbaal van bevindingen van de technische recherche. Daar valt het volgende te lezen:

"Tijdens de door mij gehouden test en uit de opgevraagde verkeersgegevens van deze test is gebleken dat op de plaats delict (A) er via cell id …, …, (...) en 12740 een gesprek gevoerd kon worden. Kortom rondom deze plaats delict is sprake van kleine overlappingen van cellen waarover een verbinding ontvangen kan worden of worden opgebouwd."

Zoals reeds hiervoor opgemerkt: het gaat er in het rapport niet om of de politie wel of niet uit het proces-verbaal bepaalde conclusies mocht trekken, maar om de vraag van de waardering van de verklaringen van verdachte. In het kader daarvan kan een rol spelen of de politie de verdachte al dan niet van onjuiste informatie heeft voorzien, of daar onzorgvuldig mee is omgegaan. Vandaar dat op deze passage van de deskundige wordt ingegaan.

Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie (verdachte), opgenomen op p. 466 en verder van deeldossier C, is veel uitgebreider dan de enkele zinnen die de rapporteur hieruit aanhaalt. Met betrekking tot de plaatsbepaling in relatie tot het gebruik van een mobiele telefoon wordt op p. 466 en 467 het volgende opgemerkt.

"Het signaal van een mobiele telefoon wordt opgevangen door een zendmast. Een zendmast bestaat hoofdzakelijk uit drie antennes. Een antenne wordt Cell id genoemd. Een Cell id bestrijkt over het algemeen een gebied van 120 graden, de drie Cell id's samen zijn altijd 360 graden. Het gebied dat een Cell id bestrijkt wordt een sector genoemd. De richting van de Cell id is bepalend welk gebied (sector) deze cell id bedekt. De drukte van het te verwachten telefoonverkeer in een gebied is bepalend hoe groot deze sector is. In een stedelijk gebied is dat vaak enkele honderden meters en in een landelijk gebied enkele kilometers. De zendmasten staan zodanig opgesteld dat de sectoren van de Cell id's elkaar overlappen zodat er altijd sprake is van een dekking.

Per provider heeft elke Cell id een uniek nummer. De nummers zijn opgeslagen bij het ULI (Unit Landelijke Interceptie) zodat naar aanleiding van een Cell id nummer de plaats van de zendmast bekend is en de richting van de Cell id."

Er is onderzoek gedaan naar de zendmastgegevens van het GSM-nummer dat destijds werd gebruikt door verdachte. Voor zover relevant is hierover het volgende in het dossier opgenomen (p. 468 en verder van deeldossier C):

- dat verdachte op 9 januari 2013 te 15.30 uur belde naar een telefoonnummer in gebruik van betrokkene 1 (taxichauffeur) met een gespreksduur van 52 seconden. verdachte bevond zich toen onder bereik van een cell id te Roermond.

- dat verdachte op 9 januari 2013 te 16.06.26 belde naar het telefoonnummer 1 met een gespreksduur van 22 seconden. (..) verdachte was toen in Weert, onder bereik van cell id ….

- dat verdachte op 9 januari 2013 te 16.07.09 uur belde naar het telefoonnummer 2 met een gespreksduur van 11 seconden. (..) verdachte was toen in Weert, onder bereik van cell id ….

- dat verdachte op 9 januari 2013 te 16.07.40 gebeld wordt door een telefoonnummer dat in gebruik is bij betrokkene 3, met een gespreksduur van 11 seconden.
Verdachte was toen in Weert, onder bereik van Cell id ….

- dat verdachte op 9 januari 2013 te 16.32.05 gebeld wordt door een vaste telefoonaansluiting die op naam staat van betrokkene 4 doch waarvan bekend is dat
betrokkene 5 ook dit telefoonnummer gebruikt.
Verdachte was toen in Weert onder bereik van cell id ….

- dat verdachte op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.32.27 uur een sms-bericht heeft ontvangen doch onbekend van wie. Verdachte was toen in Weert onder bereik van cell id ….

- dat verdachte op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.39.04 gebeld werd door het vaste telefoonnummer van diens moeder en dat er een gesprek plaatsvond met een duur van 59 seconden. Verdachte was toen in Weert, onder bereik van cell id ….

Verdachte verplaatste zich, nadat hij samen met slachtoffer was uitgestapt, te voet. Uit de bijlage bij het proces-verbaal is op p. 482 van deeldossier C een kaart opgenomen waarop is ingetekend onder andere de plaats delict en de plaats waarop verdachte en slachtoffer uit de taxi zijn gestapt. Op deze kaart is te zien dat de plaats delict zich bevindt op een plaats die kan worden aangestraald met een Cell id met de nummers …, (...) en ….

Uit het bovenstaande komt naar voren dat binnen een tijdsbestek van één minuut (16.06/16.07) de telefoon van verdachte de mast (...) heeft aangestraald en de mast met Cell id …. Op de kaart is tevens te zien dat het gebied waarop de telefoon zowel de mast met Cell id (...) en (...) kan hebben aangestraald, maar een beperkt gebied is, waarbinnen de plaats delict valt. Gezien het tijdsbestek tussen beide telefonische contacten kan de verdachte zich in dat korte tijdsbestek en te voet niet over een groot gebied hebben verplaatst. Om 16.32 uur straalt de telefoon de mast met cell id (...) aan en om 16.39 uur de mast met cell id …. De plaats delict valt in het gebied dat door beide masten kan worden aangestraald. Duidelijk is dat de telefoon zich in ieder geval moet bevinden in het grensgebied dat door beide masten wordt bestreken.

De politie houdt de verdachte voor (p. 228 van deeldossier A):

'De plaats delict. Jij bent bekend met die plek. Jouw telefoon komt onder de mast van de plaats delict voor.'

Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat deze mededeling juist is. De deskundige merkt op dat de verdachte heeft verklaard dat hij op een andere plaats in Weert was (p. 82 van deeldossier A). Uitgaande van de telefoongegevens kan worden geconcludeerd dat hetgeen verdachte daar over verklaart, inderdaad niet te verenigen is met de mastgegevens zoals hierboven vermeld; in het bijzonder is het aanstralen van de mast met cell id (...) dan niet begrijpelijk. Deze cell idd straalt in het bijzonder het buitengebied aan en voor wat betreft de gemeente Weert, slechts een klein gebied, waarin de plaats delict is gelegen, en niet de plekken waar verdachte op p. 82 zegt te zijn geweest.

Ook hier merkt het hof op dat het beoordelen van de bewijsmiddelen niet een taak is van de deskundige. Ook hier is het hof van oordeel dat het oordeel dat de deskundige hierover velt, niet juist is.

Met betrekking tot het bezigen tot het bewijs van de bekennende verklaringen van verdachte overweegt het hof voorts nog het volgende:

In 2013 heeft de verdachte ontkennende verklaringen afgelegd. Verdachte heeft op de 9de januari 2013 opgetrokken met slachtoffer, ze hebben elkaar gesproken, ze hebben met elkaar gereisd, ze hebben samen een taxi genomen.

Wanneer verdachte onschuldig zou zijn geweest, zou het naar het oordeel van het hof in de rede hebben gelegen dat verdachte naar de politie zou zijn gestapt en de politie zou hebben geïnformeerd over het verloop van de dag. Niets is minder waar. De verdachte wordt op 26 februari 2013 aangehouden. Voor die datum heeft hij niet het initiatief genomen om aan de politie mee te delen dat hij degene is geweest die met slachtoffer op de dag van zijn overlijden heeft opgetrokken en wanneer hij is aangehouden liegt hij in zijn eerste verklaringen op onderdelen aantoonbaar over de gang van zaken. De deskundige verwijt de politie dat de verdachte is meegedeeld dat hij in zijn verklaringen van 2013 op onderdelen liegt. Maar het is juist dat hij liegt. Wanneer verdachte zegt dat zij op het station in Weert uit elkaar zijn gegaan en achteraf blijkt dat er een gezamenlijke taxirit is geweest, dan is die eerdere verklaring inderdaad gelogen. De opstelling van de verdachte waarbij hij de politie tijdens de verhoren van 2013 herhaaldelijk op het verkeerde been heeft gezet, past niet in het scenario van een onschuldige verdachte. Een onschuldige verdachte zou de politie juist hebben geïnformeerd en hebben meegedeeld wanneer en waar hij het slachtoffer voor het laatst in levende lijve had gezien.

Dat het hof uitgaat van de bekennende verklaring van verdachte, hangt tenslotte in het bijzonder samen met het feit dat deze verklaring steun vindt in de hierboven gegeven bewijsmiddelen.

Ook hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd ten aanzien van de bekennende verklaringen van de verdachte vormt voor het hof geen reden om deze geheel terzijde te stellen. Het hof bezigt de verklaringen van de verdachte d.d. 1 en 4 februari 2014 voor het bewijs, op de wijze zoals hierboven bij het bewijs is weergegeven.

Het verweer wordt verworpen."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde bekennende verklaringen van de verdachte, zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv in 2005 heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal.

Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU9130.)

Het Hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsman met een beroep op het deskundigenrapport van R. Horselenberg in hoger beroep is aangevoerd, de bekennende verklaringen van de verdachte betrouwbaar geacht. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat deze verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het Hof heeft ter motivering van die afwijking voorts onder meer overwogen dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een bekennende verklaring, door de politie uitgeoefende druk en gebruikte verhoortechnieken belangrijke oorzaken kunnen zijn voor de totstandkoming van valse bekentenissen, doch dat deze factoren in het geval van de verdachte geen rol kunnen hebben gespeeld nu hij zich spontaan tot de politie wendde, de bekennende verklaring duidelijk en ondubbelzinnig was en op meerdere dagen is herhaald, en de verdachte daaraan voorafgaand al ten overstaan van derden bekennend heeft verklaard. Het Hof heeft voorts, zoals hiervoor is weergegeven, overwogen dat en waarom het, mede in het licht van de omstandigheid dat de deskundige in zijn rapportage buiten het terrein van zijn deskundigheid is getreden, geen waarde toekent aan het deskundigenoordeel van Horselenberg over de (on)betrouwbaarheid van de bekennende verklaringen. Aldus heeft het Hof ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het Hof is aanvaard. Mede gelet op hetgeen is overwogen behoefde het Hof niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsman voor het overige en met betrekking tot het rapport van de deskundige is aangevoerd.

Het middel faalt.

Conclusie AG

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly and PDF ^