HR: geen noodzaak tot aanpassing beoordelingskader en toe te passen vuistregels bij overschrijding redelijke termijn

Hoge Raad 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558

De verdachte is bij arrest van 21 juli 2016 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren wegens

  • 1 poging tot oplichting
  • 2 primair medeplegen van moord
  • 7, 12, 16 en 17 primair valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
  • 8 en 11 medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
  • 9 oplichting
  • 13, 14 en 15 primair opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
     

Middel

Het derde middel klaagt over 's Hofs oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de fase van het hoger beroep. Het zesde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het derde middel van belang, het volgende in:

"In afwijking van het betoog van de raadsman is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een zodanige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, dat daaraan de door de raadsman genoemde consequentie (de Hoge Raad begrijpt: strafvermindering) dient te worden verbonden.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Als aanvang van de redelijke termijn geldt het moment waarop de inleidende dagvaarding aan de verdachte wordt betekend dan wel het moment waarop de verdachte in verzekering wordt gesteld. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat de verdachte op 27 maart 2013 in verzekering is gesteld. De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft plaatsgehad op de terechtzittingen van 13 mei 2014 en 14 mei 2014, waarna op 28 mei 2014 vonnis is gewezen.

De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft derhalve binnen twee jaren na aanvang van genoemde redelijke termijn plaatsgevonden.

Namens de verdachte is op 2 juni 2014 hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 juni 2014 bij de griffie van dit gerechtshof ingekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van zes maanden.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2015 heeft een zogenaamde regiebehandeling plaatsgehad, waarna ter terechtzitting van 14 april 2015 de zaak is verwezen naar de raadsheer-commissaris in verband met het doen horen van een groot aantal door de verdediging opgegeven getuigen.

Op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 juni 2016, 29 juni 2016, 1 juli 2016 en 7 juli 2016 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgehad, waarna op 21 juli 2016 arrest wordt gewezen.

Het hof constateert dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep. Nu het een zeer geringe overschrijding van genoemde redelijke termijn betreft, zal het hof volstaan met de constatering ervan."
 

Aan de beoordeling van het derde en het zesde middel voorafgaande opmerking

In HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 zijn enige algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. In HR 9 januari 2001, ECLI:NL: HR:2001:AA9372, NJ 2001/307 is daaraan met het oog op ontnemingszaken nog het een en ander toegevoegd. Die uitgangspunten en regels zijn nadien in een reeks van arresten verfijnd en aangescherpt, zoals samengevat in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358. Aan die uiteenzettingen bleek behoefte te bestaan omdat in de praktijk onduidelijkheid bestond over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn.

In zijn conclusie in de zaak die heeft geleid tot HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5361, NJ 2015/133 heeft de Advocaat-Generaal gepleit voor wijziging van het in die eerdere arresten geformuleerde beoordelingskader. De Hoge Raad is hem daarin toen niet gevolgd, onder meer omdat een redelijke en met de eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid strokende toepassing van het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte voorschrift inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn meebrengt dat bedoelde vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, een zekere duurzaamheid moeten hebben, en omdat de in 2008 herijkte vuistregels - in onderling verband en samenhang bezien - in de praktijk blijken te voldoen. Dit stelsel van vuistregels houdt – kort gezegd – in dat in zaken die zijn geëindigd met de oplegging van een betrekkelijk geringe straf, wordt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, terwijl in overige gevallen de betreffende verdragsschending in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf of taakstraf, dan wel de hoogte van de opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel.

In zijn conclusie in de onderhavige zaak stelt de Advocaat-Generaal opnieuw voor de tot op heden gehanteerde maatstaven aan te passen. De Hoge Raad ziet daartoe evenwel op de eerder genoemde gronden ook thans geen noodzaak en voegt daaraan het volgende nog toe.

Dit thema vraagt om praktisch werkbare uitgangspunten en regels die waar mogelijk tot een uniforme rechtstoepassing leiden. Bij de formulering daarvan is een zekere ruwheid onontkoombaar. Onvermijdelijk zijn er ook gevallen waarin zij slecht of geheel niet toepasbaar zijn, zoals bij sancties die zich naar hun aard niet lenen voor strafvermindering, bijvoorbeeld de levenslange gevangenisstraf en vrijheidsbenemende maatregelen. Ook in die gevallen pleegt te worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Dat geldt ook indien een benadeelde partij zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd en de strafrechter desverzocht heeft vastgesteld dat vanwege de duur van de strafprocedure jegens haar inbreuk is gemaakt op genoemd verdragsvoorschrift. Geen rechtsregel verzet zich evenwel ertegen dat in zulke gevallen de betrokkene zich na het onherroepelijk worden van de uitspraak met een op die door de strafrechter vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn gebaseerde, tegen de Staat gerichte vordering tot schadevergoeding wendt tot de civiele rechter (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525).

Het ligt op de weg van de wetgever de afweging te maken of de huidige wijze van compensatie, waarin het verdisconteren van verdragsschendingen betreffende de redelijke termijn zoveel mogelijk door middel van matiging van de sanctieoplegging geschiedt, geheel of ten dele dient te worden vervangen door een andersoortig stelsel van compensatie, bijvoorbeeld bestaande in een met de straf- of ontnemingszaak samenhangende, laagdrempelige procedure strekkende tot financiële genoegdoening van degenen die door die verdragsschendingen zijn getroffen, al dan niet als onderdeel van of aanvulling op de in het verband van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering voorziene procedure voor schadevergoeding na strafvorderlijk optreden.
 

Beoordeling van het derde en het zesde middel

Het Hof heeft geoordeeld dat kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn op de grond dat weliswaar de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep, maar dat het "een zeer geringe overschrijding" betreft. Dit oordeel is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte zich voor deze zaak in voorlopige hechtenis bevond en de zaak in zo'n geval binnen zestien maanden behoort te worden afgedaan. Het derde middel klaagt daarover terecht.

Ook de klacht van het zesde middel dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden, is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

Het vorenoverwogene moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twintig jaren.

De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF