HR: besturen personenauto door ander ten tijde van overtreding staat niet in de weg aan veroordeling terzake van art. 181 WVW

Hoge Raad 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2632

De verdachte is bij arrest van 20 november 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.

Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat:

"een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], op of omstreeks 4 mei 2013 te Lottum, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, buiten de bebouwde kom, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Horsterdijk, niet zijnde een autoweg of autosnelweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 165 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden, terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Het heeft die vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"Nu de getuige [getuige] ter terechtzitting van vandaag heeft verklaard dat hij degene was die op 4 mei 2013 te Lottum te hard heeft gereden, van welke getuige de verdediging de gegevens al bij brief van 22 september jongstleden had doorgegeven, dient verdachte naar het oordeel van het hof van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken."

Middel

Het middel klaagt dat de in hoger beroep gegeven vrijspraak berust op een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in artikel 181, derde lid, Wegenverkeerswet 1994, althans dat deze vrijspraak onbegrijpelijk is gemotiveerd.


Beoordeling Hoge Raad

Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte, op grond van de omstandigheid dat niet de verdachte maar de getuige de personenauto heeft bestuurd, dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Dat oordeel is onbegrijpelijk. Immers, de omstandigheid dat de getuige eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard de personenauto te hebben bestuurd, maakt niet dat de verdachte ten tijde van de overtreding geen eigenaar of houder van deze personenauto was en evenmin dat geen sprake meer is van een bij de ontdekking van het strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder.

Het middel slaagt.


Conclusie AG

6. Deze motivering kan de vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde, kort gezegd het zelf met een personenauto begaan van een forse snelheidsovertreding, zonder meer dragen. De in het middel vervatte klacht lijkt dan ook te zijn gericht tegen de vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit.

7. Die klacht is terecht voorgesteld. Voor zover het hof de verdachte heeft vrijgesproken op de grond dat het primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, is die beslissing in het licht van de motivering daarvan niet zonder meer begrijpelijk. De aan de vrijspraak ten grondslag gelegde omstandigheid dat niet de verdachte, maar de getuige de personenauto heeft bestuurd, staat namelijk aan bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde niet in de weg, maar biedt juist steun voor een bewezenverklaring daarvan. Zo bezien is de motivering van de vrijspraak onbegrijpelijk.

8. Het hof kan ook hebben beoogd als zijn oordeel tot uitdrukking te brengen dat aan de verdachte een beroep toekomt op artikel 181, derde lid, aanhef en onder b en/of c, Wegenverkeerswet 1994. Bij deze lezing van het bestreden arrest is in elk geval het dictum onjuist, nu een geslaagd beroep op één van deze strafuitsluitingsgronden het hof aanleiding zou hebben moeten geven de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Indien het hof een vrijspraak op die grond voor ogen stond, getuigt ’s hofs oordeel echter van een onjuiste rechtsopvatting. Op de omstandigheid dat een ander met naam genoemd persoon het motorvoertuig bestuurde ten tijde van de daarmee begane overtreding, kan alleen met vrucht een beroep worden gedaan indien de verdachte ‘uiterlijk de dag vóór die der terechtzitting’ (sub b) dan wel ‘tijdens de terechtzitting’ (sub c) de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat slechts de terechtzitting in eerste aanleg als deze ‘terechtzitting’ in de zin van artikel 181 Wegenverkeerswet 1994 kan worden begrepen. Bekendmaking van de bestuurder ten tijde van de appelbehandeling heft de strafbaarheid dus niet op. Dat de berechting in eerste aanleg bij verstek heeft plaatsgehad, doet daaraan nadrukkelijk niet af. Het hof heeft de beslissing de verdachte vrij te spreken evenwel doen steunen op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de getuige [getuige] en op een schrijven dat dateert van 22 september 2015, dus van ruim zestien maanden na de veroordeling van de verdachte door de kantonrechter te Roermond op 2 mei 2014.

9. De door het hof gegeven vrijspraak kan derhalve niet in stand blijven. Ofwel is zij niet begrijpelijk gemotiveerd, ofwel getuigt zij van een onjuiste rechtsopvatting.

10. Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF