Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over bewijsuitsluiting na een bestuursrechtelijke controle bij een tuinbedrijf

Hoge Raad 29 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1536

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, artikel 11a Opiumwet. Het cassatiemiddel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, zodat het bewijs moet worden uitgesloten. In eerste aanleg volgt vrijspraak nadat het bewijs is uitgesloten wegens een onrechtmatige bestuurlijke controle bij een tuinbedrijf. Het hof oordeelt dat niet vaststaat dat tijdens of na de controle van 14 november 2018 al een redelijk vermoeden van schuld bestaat. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie leidt en verwijst voor de redenen daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal. Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn is overschreden, zonder daaraan een ander rechtsgevolg te verbinden.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1983. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt hem op 2 april 2024 wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, artikel 11a Opiumwet, tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van tachtig uren. In eerste aanleg volgt vrijspraak, nadat het bewijs is uitgesloten wegens een onrechtmatige bestuurlijke controle bij een tuinbedrijf. De uitspraak van de Hoge Raad bevat geen weergave van de bewezenverklaring en vermeldt evenmin de proeftijd die aan de voorwaardelijke gevangenisstraf is verbonden. De zaak hangt samen met de zaken met de nummers 24/01441 en 24/01442.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt de advocaat J. Zevenboom één cassatiemiddel voor. Het middel komt op tegen de verwerping door het hof van een verweer dat ertoe strekt dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat de politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, artikel 359a Sv. De advocaat-generaal Van Kempen concludeert tot verwerping van het beroep. De raadsman reageert daarop schriftelijk.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt in rechtsoverweging 2.2 dat het cassatiemiddel niet tot cassatie leidt en verwijst voor de redenen daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.10. Die conclusie houdt in dat het hof, in afwijking van het standpunt van de verdediging, overweegt waarom op grond van het dossier niet vaststaat dat tijdens of na de controle van 14 november 2018 al sprake is van een redelijk vermoeden van schuld: het proces-verbaal bevat te weinig informatie over die controle en de daarin genoemde aangetroffen goederen zijn niet zodanig dat daaruit al evident een overtreding van artikel 11a Opiumwet volgt. Die oordelen worden in cassatie niet betwist, evenmin als het oordeel dat het noteren van kentekens van voertuigen bij het bedrijfspand op 9 november 2018 geen opsporingshandeling is. In het oordeel dat ook overigens niet uit het procesdossier blijkt dat de politie op of na 14 november 2018 handelingen verricht die wijzen op strafrechtelijk onderzoek, ligt voldoende besloten waarom het beroep van de raadsman op de betreffende pagina uit het proces-verbaal van bevindingen niet opgaat. Dat het doel van de bestuursrechtelijke controle is aan te tonen dat het tuinbedrijf een growshop is waar bewust materialen voor illegale hennepteelt worden verkocht, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, nu die informatie niet concreet duidelijk maakt op grond waarvan men daartoe wil overgaan en daaruit niet blijkt of de aanleiding is gelegen in feiten en omstandigheden die een verdenking kunnen gronden dan wel hooguit in weinig concrete aanwijzingen. Uit de vermelding dat is getracht aan te tonen dat het om een growshop gaat, kan worden afgeleid dat dat toen niet is gelukt.

Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de opgelegde taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en ziet hij geen aanleiding daaraan enig ander rechtsgevolg te verbinden.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^