Hoge Raad over begin van uitvoering, bij poging tot wederrechtelijk verblijf op haventerrein

Hoge Raad 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1030

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor een poging tot het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, gepleegd door twee of meer verenigde personen. De verdachte is met drie anderen midden in de nacht per taxi afgezet bij een besloten haventerrein op de Maasvlakte in Rotterdam, waar douaneambtenaren de vier mannen bij het hek aantreffen met onder meer een betonschaar, containerzegels en een tas met proviand. Het cassatiemiddel klaagt dat uit de bewijsvoering geen begin van uitvoering als bedoeld in artikel 45 lid 1 Sr kan worden afgeleid. De Hoge Raad zet uiteen dat artikel 138aa lid 2 Sr een strafverzwarende omstandigheid bevat en geen afzonderlijke strafbepaling, en dat het hof de kwalificatie heeft gebaseerd op artikel 138aa lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 45 lid 1 Sr. Het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte en de mededaders naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op het gezamenlijk betreden van en verblijven op het haventerrein en een begin van uitvoering opleveren, getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De vastgestelde gedragingen lagen in tijd en plaats dicht bij en waren concreet gericht op het wederrechtelijk verblijf op het terrein.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2003. In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken. Het gerechtshof Den Haag veroordeelt de verdachte bij arrest van 18 oktober 2024 wegens poging tot het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof gelast daarnaast de teruggave aan de verdachte van een inbeslaggenomen telefoon.

Aan de veroordeling ligt het volgende feitencomplex ten grondslag. Op 19 januari 2024, omstreeks half vier in de nacht, wordt de verdachte samen met drie anderen door een taxi afgezet op de Maasvlakte in Rotterdam, ter hoogte van het door hekken omgeven besloten terrein van het bedrijf. In de taxi hebben de vier mannen van een onbekende man uitleg gekregen over het verplaatsen van iets. Douaneambtenaren, tevens buitengewoon opsporingsambtenaren, zien de taxi omdraaien en zien vier mannen in donkere kleding bij het hek van het terrein staan. Een van de mannen draagt een bivakmuts en een van hen slaat na ontdekking en staandehouding zijn telefoon kapot op de stoeptegels. De mannen dragen meerdere lagen kleding over elkaar en hebben een betonschaar bij zich, alsmede een tas met daarin een powerbank, eten, drinken, telefoons en een zaklamp. Bij twee mededaders worden containerzegels aangetroffen. Op de telefoon van een derde mededader wordt een chatbericht van de dag ervoor gevonden waarin wordt gesproken over een ontmoeting buiten, zich in het zwart kleden en zich bij aanhouding op het zwijgrecht beroepen. In een ander chatbericht vraagt deze mededader aan een onbekende persoon of hij wil weten hoe men gevraagd wordt om uit te halen. Een van de mededaders verklaart tegenover de politie dat zij hun telefoons moesten uitzetten. De telefoon van de verdachte, die bij zijn aanhouding in beslag wordt genomen, staat in de vliegtuigstand. Dezelfde mededader verklaart dat hem via een chat is voorgehouden dat hij € 25.000 zou krijgen en alleen maar hoefde te klimmen, terwijl de opdrachtgever sprak over € 15.000.

Het hof oordeelt dat deze feiten en omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op het gezamenlijk betreden van en vervolgens verblijven op het terrein en dat het delict slechts niet is voltooid omdat dit nog net op tijd door de douaneambtenaren is verijdeld. Het hof acht ook een nauwe en bewuste samenwerking bewezen en verwerpt het door de raadsman gevoerde vrijspraakverweer dat geen sprake is van een begin van uitvoering.

Cassatiemiddel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot het wederrechtelijk verblijven op een in de haven gelegen besloten plaats. Het voert daartoe aan dat uit de bewijsvoering geen begin van uitvoering van dat misdrijf kan worden afgeleid. De advocaat-generaal Paridaens concludeert tot verwerping van het beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt onder verwijzing naar zijn arresten van 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388, en 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479, voorop dat voor een strafbare poging is vereist dat gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden; het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Het kan gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers, en niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld (rechtsoverweging 2.4).

Over de structuur van artikel 138aa Sr overweegt de Hoge Raad dat lid 1 strafbaar stelt het wederrechtelijk verblijf op een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie. Mede uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 138aa Sr, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal, kan worden afgeleid dat artikel 138aa lid 2 Sr als strafverzwarende omstandigheid moet worden aangemerkt, inhoudende dat degene die wederrechtelijk verblijft op een besloten plaats zich de toegang tot die plaats heeft verschaft door middel van een of meer van de in dat lid bedoelde middelen. Artikel 138aa lid 3 Sr noemt twee omstandigheden waaronder de in lid 1 en lid 2 bedreigde straf verder wordt verzwaard. Artikel 138aa lid 2 (oud) Sr en het huidige artikel 138aa lid 2 Sr bevatten dus geen afzonderlijke strafbepaling (rechtsoverweging 2.5).

Voor zover het middel veronderstelt dat het hof de verdachte heeft veroordeeld voor een poging om het in artikel 138aa lid 1 Sr genoemde misdrijf te plegen onder de in lid 2 genoemde strafverzwarende omstandigheid, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft de kwalificatie immers gebaseerd op artikel 138aa lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 45 lid 1 Sr (rechtsoverweging 2.6).

Op de hiervoor weergegeven vaststellingen heeft het hof zijn oordeel gebaseerd dat de gedragingen van de verdachte en de mededaders naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op het gezamenlijk betreden van en vervolgens verblijven op het terrein, en dat het delict slechts niet is voltooid omdat dit nog net op tijd door de douaneambtenaren werd verijdeld. Het daarin besloten liggende oordeel dat de gedragingen moeten worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf en een strafbare poging opleveren, getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat de vastgestelde gedragingen in tijd en plaats dicht lagen bij en concreet gericht waren op het wederrechtelijk verblijf op een in een haven gelegen besloten plaats (rechtsoverwegingen 2.7.1 en 2.7.2). Het middel faalt.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^