Hof ziet af van vervolging (medewerkers) Rabobank voor liborfraude: verwijst naar schikking van €70 mio en vervolging in buitenland

Gerechtshof Den Haag 19 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1204 Het Gerechtshof Den Haag heeft op 19 mei 2015 een klacht van klanten van de Rabobank in een artikel 12 strafvorderingsprocedure afgewezen. Spong diende vorig jaar, namens de stichting Justitia Distributiva en gedupeerde Rabobank-certificaathouders, een klacht in bij het hof tegen afdoening door het Openbaar Ministerie in de Libor-kwestie om de bank en verantwoordelijke medewerkers vervolgd te krijgen.

De betreffende Rabobankklanten houden die medewerkers, hun leidinggevenden, de Raad van Bestuur en de bank zelf strafrechtelijk aansprakelijk voor het uit eigen gewin manipuleren van de wereldwijd bepalende rentetarieven onder de naam Libor en Euribor. Ze voelen zich als klant met aan rente gekoppelde financiële producten daardoor benadeeld. Klagers maken bezwaar tegen de manier waarop het OM de zaak heeft afgedaan.

Het OM had samen met de Fiod en De Nederlandse bank en in samenwerking met buitenlandse justitiële autoriteiten en financiële toezichthouders onderzoek gedaan naar die manipulaties en aan de Rabobank een boete opgelegd van 70 miljoen euro. De bank heeft die boete betaald. Betrokken medewerkers die niet meer werken bij de bank worden door buitenlandse autoriteiten vervolgd. Het OM zag af van strafvervolging van de bankbestuurders en de betrokken medewerkers die nog bij de Rabo werken.

Het gerechtshof is het met klagers eens dat de rechtsorde en voor de financiële markt en alle deelnemers zo noodzakelijke rust en vertrouwen ernstig zijn geschaad. Dergelijke wereldwijd ingrijpende en schokkende malversaties in de financiële markt hadden aan de strafrechter moeten worden voorgelegd. Strafvervolging zou dus zijn aangewezen.

Om een aantal redenen geeft het hof echter niet het verlangde bevel tot vervolging. Ook nader strafrechtelijk onderzoek kan achterwegen blijven. Kort samengevat zijn dat de volgende redenen:

  1. Volgens het gerechtshof is de Rabobank als organisatie voor de internationale Libor-rentemanipulaties verantwoordelijk en strafbaar. Gelet op de aan de Rabobank wereldwijd opgelegde en betaalde boetes van in totaal 774 miljoen euro, waarvan 70 miljoen euro aan het OM, vindt het hof dat voorleggen aan de strafrechter nu geen toevoegde waarde meer heeft. Ook de strafrechter kan aan de organisatie niet veel anders dan een boete opleggen.
  2. Het hof oordeelt dat de toenmalige bestuurders van de Rabobank niet alert zijn geweest en dat naar de normen van de financiële toezichthouders bezien waarschijnlijk kritiek op zijn plaats is, maar dat naar de normen van het strafrecht gemeten niet kan worden vastgesteld dat deze bestuurders opzettelijk en uit eigen gewin of ernstig nalatig hebben gehandeld. Zij worden daarom niet vervolgd.
  3. Betrokken ex-medewerkers die in het buitenland worden vervolgd voor deze feiten kunnen niet ook in Nederlands voor dezelfde feiten worden vervolgd. Over andere ex-medewerkers heeft het OM nog geen sepotbesluit genomen, zodat een klacht over niet vervolging van deze betrokkenen niet ontvankelijk is.
  4. Betrokken medewerkers die nog wel voor Rabobank werken, zouden volgens het hof vervolgd moeten worden vanwege de ernst van de verdenkingen en de daarmee in onduidelijke verhouding staande opgelegde interne maatregelen. Strafvervolging op basis van het opgebouwde dossier is echter niet mogelijk. Dit heeft te maken met het feit dat er internationaal is samengewerkt tussen opsporingsautoriteiten en toezichthouders, waarbij niet altijd is voldaan aan de eisen van het strafprocesrecht met betrekking tot de vergaring van bewijsmateriaal. Een nieuw zuiver strafrechtelijk onderzoek is niet goed denkbaar nu zoveel essentiële gegevens en verklaringen al zijn vastgelegd en in brede kring bekend.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF