Hawala bankieren met Iran

Rechtbank Den Haag 24 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5621

De verdachte heeft zich (al dan niet in vereniging) schuldig gemaakt aan het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener en aan overtreding van de sanctieregelingen betreffende Iran. De verdachte heeft Hawala-transacties uitgevoerd zonder dat daarop toezicht was van de juiste instanties. Daarmee heeft hij niet alleen clandestien duizenden euro’s van mensen aangenomen en overgemaakt naar Iran, met alle risico’s van onzekerheid voor die mensen van dien, maar ook heeft hij de mogelijkheid gecreëerd dat geld van criminele herkomst zonder toezicht weggesluisd kon worden. Voorts heeft de verdachte de regels omtrent economische sancties met Iran overtreden.
 

Aanleiding

Uit een onderzoek naar mensenhandel zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat er middels Hawala-bankieren (informeel: ondergronds bankieren) geldtransacties plaatsvonden tussen Nederland en Iran. Tegen verdachte zijn vermoedens gerezen dat hij daarbij betrokken is geweest als Hawala-bankier.

De verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij – al dan niet te samen en in vereniging met (een) ander(en) –:

  • opzettelijk zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend (feit 3),
  • opzettelijk in strijd met de voor Iran geldende sanctieregelingen geldbedragen van € 10.000,- of meer heeft overgemaakt van en naar Iran zonder die schriftelijk te melden bij de bevoegde autoriteit (feit 2) en
  • een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geld verkregen uit provisie van geldtransacties (feit 1).
     

Verzoek tot schorsing van de vervolging

In deze zaak heeft de rechtbank op 13 juni 2017 beslist op een namens de verdediging gedaan verzoek tot schorsing van de tegen verdachte ingestelde vervolging. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Kort gezegd is, onder verwijzing naar de rapportages die tot dan toe over de persoon van verdachte waren uitgebracht en de ter terechtzitting van 30 mei 2017 door verdachte afgelegde verklaring, geoordeeld dat verdachte de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging in voldoende mate begreep. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank daarbij nog overwogen dat de omstandigheid dat het onderliggende dossier voor verdachte te omvangrijk en te ingewikkeld is en hij mogelijk meer dan gemiddelde bijstand van een advocaat die zijn belangen behartigt, behoeft, dit niet anders maakt.

Hierna is opnieuw om schorsing van de vervolging verzocht. Op dat verzoek heeft de rechtbank op 21 december 2017 beslist. Het verzoek is wederom afgewezen. De rechtbank verwees in de beslissing van 21 december 2017 naar haar beslissing van 13 juni 2017 en overwoog voorts als volgt:

‘De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging (…) is aangevoerd geen aanleiding om deze beslissing te heroverwegen. Het feit dat de verdediging niet in staat is geweest om met verdachte het dossier te bespreken, maakt dit niet anders. Uit de ter terechtzitting door de verdediging overgelegde recente medische stukken, volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat de situatie van verdachte dusdanig is verslechterd dat hij op dit moment de strekking van de vervolging niet (meer) zou begrijpen.’

De rechtbank heeft in genoemde uitspraak wel, op de voet van het bepaalde in artikel 509a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), verklaard dat vermoed wordt dat de geestvermogens van verdachte ziekelijk gestoord zijn en hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. De voor deze situatie geschreven bijzondere regels voor berechting zijn vervolgens in werking getreden, ter waarborging van een behoorlijke belangenbehartiging.

Het standpunt van de verdediging

Bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte heeft de verdediging wederom verzocht de vervolging van verdachte te schorsen. Zij heeft gepersisteerd in haar standpunt dat verdachte niet in staat is om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te overzien omdat het niet mogelijk is om met verdachte op dossier- en detailniveau over de verdenkingen te spreken. In dit verband heeft verdediging ook naar voren gebracht dat het eerdere oordeel van de rechtbank over de gevraagde schorsing van de vervolging zich niet laat verenigen met het van toepassing verklaren van de procedure ex artikel 509a Sv en om die reden strijd oplevert met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over het hernieuwde verzoek. Bij eerder gelegenheden pleitte hij voor afwijzing.

Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft ter terechtzitting van 10 april 2018 geen nieuwe stukken overgelegd betreffende de lichamelijke en psychische toestand van verdachte. Het is hierom dat de rechtbank ook thans geen aanleiding ziet om terug te komen op haar oordeel dat verdachte in staat moet worden geacht de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te overzien. Wat gold voor de omstandigheid dat het dossier voor verdachte te omvangrijk en te ingewikkeld is, geldt ook voor de stelling van de verdediging dat het onmogelijk is diepgaand met verdachte over het dossier te spreken; dit alleen maakt echter niet dat verdachte de (strekking van de) tegen hem gerezen verdenkingen niet begrijpt.

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar standpunt dat het van toepassing verklaren van de procedure ex artikel 509a Sv zich niet met dit oordeel laat verenigen, nu het toetsingscriterium bij een verzoek ex artikel 16 Sv een geheel andere is dan het criterium dat bepaalt of de procedure ex artikel 509a Sv in werking moet worden gezet.
 

Geldigheid van de dagvaarding feit 1

De verdediging heeft betoogd dat de tenlastelegging voor wat betreft feit 1 onvoldoende feitelijk is, dat het daardoor voor de verdediging onduidelijk is waarop zij zich moet richten en dat zulks tot nietigheid van de dagvaarding voor dat feit dient te leiden. Daartoe is aangevoerd dat in de tenlastelegging geen specifiek(e) geldbedrag(en) staat/staan vermeld en evenmin verhullingshandelingen en dat niet uit de tenlastelegging volgt dat feit 1 zich beperkt tot de onder 2 en 3 specifiek benoemde gedragingen, terwijl er sprake is van een tenlastegelegde periode van vijf jaren.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende feitelijk is omdat duidelijk is dat feit 1 in samenhang dient te worden bezien met de specifieke verwijten onder feiten 2 en 3 en het zaakdossier Witwassen. Daaruit volgt duidelijk dat het (uitsluitend) gaat om de genoten provisie.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding voldoende duidelijk, zeker indien deze in samenhang wordt bezien met het dossier, in het bijzonder het (zaak)dossier (‘Witwassen’), en de overige tenlastegelegde feiten. Uit de tenlastelegging volgt reeds dat het onder 1 tenlastegelegde verwijt ziet op geldbedragen die de verdachte als provisie voor de onder 2 en 3 tenlastegelegde geldtransacties zou hebben gekregen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verdediging zich heeft kunnen verweren tegen de tegen de verdachte geuite beschuldigingen. Dat in de tenlastelegging van dit feit geen specifiek(e) geldbedrag(en) staat/staan vermeld, doet daar niet aan af.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 Sv voldoet. Het tot nietigheid strekkende verweer wordt mitsdien verworpen.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van enkele onderdelen van het onder 3 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en het overige onder 3 ten laste gelegde.
 

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft partiële vrijspraak van feit 3 en gehele vrijspraak van feit 1 bepleit.

Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat slechts die transacties wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard waarvan vast staat dat deze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Er moet volgens de verdediging sprake zijn van het vragen/ontvangen van provisie, het aangaan van een overeenkomst, het daadwerkelijk betalen of inhouden van provisie en het voorhanden hebben en overdragen van een geldbedrag. Uit tapgesprekken volgende aanwijzingen voor een mogelijke transactie zijn in dit verband niet voldoende. Voor bewezenverklaring van medeplegen moet voorts sprake zijn van een voldoende bijdrage van verdachte aan de totstandkoming van de beweerdelijke transactie(s).

Ten aanzien van feit 1 is ten eerste aangevoerd dat niet is gebleken dat de contante geldbedragen die onder verdachte zijn aangetroffen, bestemd waren voor Hawala-bankieren en dat evenmin is gebleken dat die geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onaannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van die geldbedragen, namelijk dat deze voortkomen uit zijn activiteiten voor Ashora (een organisatie die culturele activiteiten voor de Iraanse gemeenschap verricht), welke verklaring ook wordt ondersteund door aangetroffen administratie. Ook kan volgens de verdediging niet uit het dossier worden afgeleid dat – kort gezegd – geldbedragen die de kinderen van verdachte voorhanden hebben gehad, van misdrijf afkomstig zijn.

Ten tweede is aangevoerd dat – indien de rechtbank wel aannemelijk acht dat het geld onder verdachte bestemd was voor Hawala-bankieren – niet is uit te sluiten dat dit geen provisie was, maar geldbedragen die overgemaakt waren of overgemaakt moesten worden.

Dat maakt volgens de verdediging op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad dat niet kan worden gezegd dat die geldbedragen afkomstig waren van een voorafgaand misdrijf.

Ten derde is aangevoerd dat – indien de rechtbank wel aannemelijk acht dat het geld onder verdachte afkomstig was uit enig misdrijf – de gedragingen van de verdachte niet gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Immers, er kan niet méér worden bewezen dan dat verdachte het geld heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad: er is geen bewijs voor gedragingen gericht op het verbergen of verhullen van een criminele herkomst. Van andere tenlastegelegde witwashandelingen, waaronder het uitgeven/omzetten, is volgens de verdediging evenmin gebleken.
 

Beoordeling rechtbank
 

Feit 3: Handelen als betaaldienstverlener zonder vergunning

Wat is een betaaldienstverlener?

Blijkens artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht is een betaaldienstverlener:

- degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten.

Een betaaldienst is volgens datzelfde artikel een:

- bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten.

Voornoemde richtlijn betreft Richtlijn 2007/64/EG van het Europese Parlement en De Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG.

Blijkens voornoemde bijlage bij die richtlijn betreffen betaaldiensten ex artikel 4 punt 3 van die richtlijn (die dezelfde strekking heeft als artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht):

1. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten op een betaalrekening te plaatsen alsook alle verrichtingen die voor het exploiteren van een betaalrekening vereist zijn.

2. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn.

3. Uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van geldovermakingen, op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder:

- uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;

- uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;

- uitvoering van overmakingen, met inbegrip van automatische betalingsopdrachten.

4. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de geldmiddelen zijn gedekt door een kredietlijn die aan de betalingsdienstgebruiker wordt verstrekt:

- uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;

- uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;

- uitvoering van overmakingen, met inbegrip van doorlopende opdrachten.

5. Uitgifte en/of aanvaarding van betaalinstrumenten.

6. Geldtransfers.

7. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de instemming van de betaler met een betalingstransactie wordt doorgegeven met behulp van een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument en de betaling rechtstreeks geschiedt aan de exploitant van de telecommunicatiediensten, het IT-systeem of het netwerk, die louter optreedt als intermediair tussen de betalingsdienstgebruiker en de persoon die de goederen levert of de diensten verricht.

Wanneer is er in de onderhavige zaak sprake van het handelen als betaaldienstverlener?

De verdachte wordt – kort gezegd – verweten het ten behoeve van/op verzoek van begunstigden/betalers uitvoeren van Hawala-geldtransacties.

Gelet op voornoemde wet en richtlijn is bij Hawala-bankieren sprake van handelen als betaaldienstverlener zodra er minst genomen:

Situatie 1: geld aan de verdachte of zijn mededader(s) is gegeven door een betaler, zijnde geld dat middels Hawala-bankieren naar een Hawala-bankier in een derde land (i.c. Iran) moet worden gestuurd

of

Situatie 2: geld of een opdracht tot afgifte van geld aan de verdachte of zijn mededader(s) is gegeven door een Hawala-bankier in een derde land (i.c. Iran), zijnde geld dat middels Hawala-bankieren door verdachte aan een begunstigde in Nederland moest worden gegeven.

Met één van die handelingen is immers de betrokkenheid van verdachte bij de Hawala-transactie gestart en daarmee is onder de in situatie 1 en 2 beschreven omstandigheden al sprake van een voltooid delict.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat dus niet is vereist dat provisie is gevraagd/ontvangen/ingehouden/betaald. Ook zonder betaling van provisie kan de verdachte nog steeds een Hawala-transactie verrichten en daarmee zich als betaaldienstverlener gedragen.
 

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van twaalf tenlastegelegde transacties het dossier onvoldoende bewijs bevat op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat er minst genomen sprake was van één van de situaties zoals hiervoor beschreven.

Van tien transacties blijkt van niets meer dan van een uiting van een voornemen tot een Hawala-transactie. Van enige overdracht van geld aan de verdachte of zijn mededader(s) of een concrete en specifieke opdracht tot betaling (van een betaler of voor een begunstigde), is bij die transacties niet gebleken.

Het betreft de volgende in de (verbeterd gelezen) tenlastelegging opgenomen transacties:

B: op of omstreeks 17 mei 2014, ter zake een geldbedrag van 1.600 euro ,

B: op of omstreeks 17 mei 2014, ter zake een geldbedrag van 2.000 euro,

D: op of omstreeks 29 mei 2014, ter zake een geldbedrag van 1.000 euro,

E: op of omstreeks 4 juni 2014, ter zake een geldbedrag van 1.000 euro,

I: op of omstreeks 6 september 2014, ter zake een geldbedrag van 1.800 euro,

K: op of omstreeks 3 oktober 2014, ter zake een geldbedrag van 1.000 euro,

L: op of omstreeks 8 oktober 2014, ter zake een geldbedrag van 1.850 euro,

N: op of omstreeks 18 oktober 2014, ter zake een geldbedrag van 1.600 euro,

O: op of omstreeks 19 oktober 2014, ter zake een geldbedrag van 1.000 euro en

Q: op of omstreeks 29 oktober 2014, ter zake een geldbedrag van 4.000 euro.

Ten aanzien van twee transacties is de rechtbank van oordeel dat de precieze strekking van de daarop betrekking hebben tapgesprekken onvoldoende is gebleken. Uit de gesprekken is onvoldoende aannemelijk geworden dat zij betrekking hadden op een transactie die had plaatsgevonden/plaatsvond dan wel dat de desbetreffende transactie(s) in euro’s zou(den) hebben plaatsgevonden/plaatsvond(en).

Dat betreft de volgende in de (verbeterd gelezen) tenlastelegging opgenomen transacties:

I: op of omstreeks 6 september 2014, ter zake een geldbedrag van 1.205 euro en

Q: op of omstreeks 29 oktober 2014, ter zake een geldbedrag van 1.000 euro.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de onderdelen van feit 3 die hierop betrekking hebben.
 

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 verweer gevoerd ter zake het leerstuk “eigen misdrijf”. Het ontvangen provisiegeld is volgens de verdediging hoogstens verkregen uit het eigen misdrijf van de verdachte (feit 3) en voorts kan er niets méer worden bewezen dan dat het geld is verworven en/of dat de verdachte dit voorhanden heeft gehad.

Voor zover de verdediging daar slechts de conclusie tot vrijspraak aan heeft verbonden
- hetgeen volgens vaste jurisprudentie niet mogelijk is - zal de rechtbank het verweer zo interpreteren dat dit ook gericht is tegen de strafbaarheid van het feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld – zo begrijpt de rechtbank – dat het leerstuk van “eigen misdrijf” niet van toepassing is, nu er méér witwashandelingen bewezen kunnen worden verklaard dat enkel het verwerven en voorhanden krijgen.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank heeft bij feit 1 het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen aan provisie door verdachte, terwijl hij wist dat deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf, bewezen verklaard.

Het is inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden aangemerkt (vgl. onder meer de arresten van de Hoge Raad van 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4449, BX4585, BX6909, BX6910 en ECLI:NL:HR:2014:702). In een dergelijk geval moet ontslag van alle rechtsvervolging het gevolg zijn.

Per 1 januari 2017 bestaat ook de strafbaarstelling van eenvoudig witwassen ex artikel 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht – dat ziet op eigen misdrijf –, maar gelet op de bewezenverklaarde periode kan het bewezenverklaarde niet onder die strafbaarstelling vallen, terwijl eenvoudig witwassen ook niet ten laste is gelegd.

Gelet op de bewijsmiddelen en bewezenverklaring bij de feiten 1 en 3 is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de provisie die verdachte had verworven en/of voorhanden heeft gehad afkomstig was uit zijn eigen misdrijf (feiten onder 3 en vergelijkbare handelingen als onder 3). Het dossier bevat geen aanwijzingen die er op duiden dat de provisie afkomstig is uit het misdrijf of de misdrijven van een ander of anderen. Van andere witwasgedragingen die zien op verhullen of verbergen van de criminele herkomst, is niet gebleken.

Het voorgaande betekent dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor hetgeen onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen is verklaard.
 

Bewezenverklaring

  • feit 2: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd;
     
  • feit 3: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, meermalen gepleegd;
     

Strafoplegging

De rechtbank verklaart de verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF