Omvang hoger beroep

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1581

Bij inleidende dagvaarding zijn aan de verdachte drie feiten tenlastegelegd.

Bij vonnis van 19 februari 2013 heeft de Rechtbank de verdachte vrijgesproken van de hem onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en is hij veroordeeld ter zake van de hem onder 3 tenlastegelegde opzetheling.

De Officier van Justitie heeft op 1 maart 2013 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 26 maart 2013 is het hoger beroep ten aanzien van feit 3 ingetrokken.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 27 juni 2013 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren wegens

  • 1 primair diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en
  • 2 primair afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte, ten behoeve van de benadeelde partij, een betalingsverplichting jegens de Staat opgelegd.

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak onder het hoofd "omvang van het hoger beroep" het volgende overwogen:

"Aan verdachte is bij inleidende dagvaarding ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - het betrokken zijn bij twee overvallen in verschillende varianten (feit 1 en feit 2) en het plegen van opzetheling (feit 3).

Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken terzake de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten terwijl hij werd veroordeeld terzake het feit onder 3.

Het openbaar ministerie heeft tegen het vonnis van de rechtbank bij akte d.d. 1 maart 2013 hoger beroep ingesteld tegen het gehele vonnis. Bij akte d.d. 26 maart 2013 is het hoger beroep ten aanzien van het feit onder 3 ingetrokken. Aangezien de verdachte tegen het vonnis van de rechtbank geen beroep heeft ingesteld zou door die intrekking de veroordeling ter zake van - kort gezegd - de heling van de buit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde overvallen onherroepelijk zijn geworden, hetgeen zich niet zou verdragen met een veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde, nu diefstal en heling van dezelfde goederen begripsmatig niet met elkaar in overeenstemming te brengen zijn. De inzet van het onderhavige strafgeding naar aanleiding van het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep is voor alle procesdeelnemers van meet af aan duidelijk geweest: zijn de aan verdachte verweten gedragingen te kwalificeren als het medeplegen van - of het medeplichtig zijn aan - een tweetal overvallen of beperkt het aandeel van de verdachte zich tot helingshandelingen. Door de verdediging zijn ook geen bezwaren naar voren gebracht betreffende de materieel-strafrechtelijke en strafprocessuele gevolgen van bovengenoemde partiële intrekking. Het hof beschouwt de intrekking van het appel door het openbaar ministerie, mede gelet op de vordering van de advocaat-generaal zoals hieronder weergegeven, dan ook als een kennelijke vergissing en zal op die intrekking geen acht slaan. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad en op deze wijze wordt voorkomen dat mogelijk twee met elkaar strijdige bewezenverklaringen tot veroordelingen zouden leiden."

Middel

Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de omvang van het hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de verdachte vervolgens vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde feit (opzetheling) en veroordeeld ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", alsmede ter zake van de onder 2 primair tenlastegelegde "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het oordeel van het Hof dat op de partiële intrekking van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 3 geen acht wordt geslagen omdat het daarbij om een kennelijke vergissing gaat, is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat art. 407, tweede lid, Sv het Openbaar Ministerie de bevoegdheid geeft tot een intrekking van het hoger beroep als de onderhavige, terwijl art. 453, eerste lid, Sv bepaalt dat intrekking van een rechtsmiddel meebrengt dat afstand wordt gedaan van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel opnieuw aan te wenden.

Het middel klaagt daarover op zichzelf terecht. Nu het Hof de verdachte echter heeft vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, heeft de verdachte onvoldoende belang bij zijn klacht dat het Hof ten onrechte feit 3 onder het hoger beroep begrepen heeft geacht.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF