Geluidsopnamen gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting

Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2838

Het gaat in deze zaak om een veroordeling ter zake van een zestal ernstige levens- en geweldsdelicten op 13 april 2011 in het Groningse Baflo. Er vallen twee doden te betreuren. De uit Benin afkomstige verdachte heeft zijn vriendin gedood onder meer door haar met een brandblusser tegen het hoofd te slaan (feit 1) en hij heeft vervolgens na een worsteling een politieman met zijn eigen dienstwapen doodgeschoten (feit 2). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank waarbij verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaar vernietigd. Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is veel aandacht besteed aan de vraag of verdachte leed aan een psychische stoornis en de vraag of de feiten hem kunnen worden toegerekend.

De inzichten van de deskundigen liepen uiteen: geen aantoonbaar aanwezige stoornis, een kortdurende psychose en/of een delirium. Het hof oordeelde dat sprake was van een acute stress gerelateerde, kortdurende psychotische stoornis, dat het eerste feit niet aan verdachte kon worden toegerekend en de overige feiten wel (zij het in belangrijk verminderde mate) en dat dwangverpleging nodig was. Het tweede en derde middel vormen de kern van de schriftuur en bestrijden die oordelen.

Het proces-verbaal van voormelde terechtzitting houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 12 en 14 november 2014.
In dit proces-verbaal is de inhoud van de verklaringen van de deskundigen afgelegd op de zitting van 12 november 2014 op die punten (zakelijk) weergegeven/opgenomen, voor zover deze verklaringen worden gebruikt in het arrest van het hof d.d. 11 december 2014. Aan dit proces-verbaal is gehecht een geluidsopname van hetgeen de gehele zittingsdag van 12 november 2014 aan de orde is geweest. De geluidsopname is in deze vorm ter beschikking gesteld aan de advocaat-generaal en de raadsman na afloop van de zittingsdag van 12 november 2014. Verwijzingen in de pleitnota van de advocaat komen overeen met de tijdsaanduiding op de aan dit proces-verbaal gehechte geluidsopname.
In de schriftelijke weergave van de verklaringen van de deskundigen wordt door middel van voetnoten de tijdsaanduiding aangegeven van de verklaring op de geluidsopname. Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven.
De rangschikking van de verklaringen van de deskundigen heeft plaatsgevonden in de volgorde waarin deze verklaringen door het hof in het arrest zijn gebruikt.
Tegenwoordig: (...)"

Middel 

Het eerste middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 14 november 2014 niet voldoet aan de daaraan op grond van art. 326 en art. 415 Sv te stellen eisen.

In de toelichting wordt gesteld dat het niet in de juiste tijdsvolgorde in het proces-verbaal opnemen van het verhandelde ter terechtzitting van 12 november 2014 met zich brengt dat wegens het ontbreken van de juiste (schriftelijke) context een verkeerd of onduidelijk beeld ontstaat van hetgeen precies ter zitting is voorgevallen. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het moet leiden tot nietigheid, aldus het middel.

Beoordeling Hoge Raad

Wat betreft de verklaringen die de deskundigen hebben afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2014, behelst voormeld proces-verbaal uitsluitend de zakelijke inhoud van die verklaringen voor zover deze zijn gebruikt in de bestreden einduitspraak. Het proces-verbaal behelst niet de overige (zakelijke) inhoud van die verklaringen noch hetgeen overigens op de terechtzitting van 12 november 2014 achtereenvolgens aan de orde is geweest. In dit opzicht voldoet het proces-verbaal niet aan de eisen van het eerste en het tweede lid van art. 326 Sv. Daaraan doet niet af dat aan het proces-verbaal een geluidsopname is gehecht van hetgeen op die terechtzitting aan de orde is geweest.

Opmerking verdient dat het hier gaat om een geluidsopname die strekt ter vervanging van (een gedeelte van) het schriftelijke proces-verbaal van de terechtzitting. Daarin voorziet art. 326 Sv niet. Aan de vervanging van (een gedeelte van) het proces-verbaal door een geluidsopname staat voorts in de weg dat de vaststelling van de ter terechtzitting inachtgenomen vormen en van de juiste inhoud van hetgeen aldaar is verklaard en voorgevallen, is opgedragen aan de in art. 327 Sv genoemde personen, die ook bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig zijn geweest. Tevens wordt bij zo een vervanging, ingeval een rechtsmiddel is aangewend, deze vaststelling in feite doorgeschoven en opgedragen aan de later oordelende rechter.

Wat betreft de cassatieprocedure komt daar nog bij dat het in die fase van het geding gaat om een doorgaans volledig schriftelijk proces waarin in de regel één partij optreedt en dat ook daarom niet geëigend is voor het uitluisteren van geluidsopnames en in voorkomende gevallen het bieden van een mogelijkheid tot het maken van op- en aanmerkingen door partijen.

Uit het voorgaande volgt dat het middel terecht klaagt over de vervanging van (een gedeelte van) het proces-verbaal van de terechtzitting door een geluidsopname.

De wet voorziet thans niet in een regeling op grond waarvan, ingeval een geluidsopname van het verhandelde ter terechtzitting is gemaakt, die opname wordt verstrekt aan procespartijen met het oog op de controle van de verslaglegging in het proces-verbaal. Indien de wetgever dit aangewezen acht, kan hiertoe een voorziening in het leven worden geroepen. Uitgangspunt zal ook dan zijn dat het proces-verbaal beslissend is voor de vaststelling van de ter terechtzitting inachtgenomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting is voorgevallen alsmede voor de - zakelijke - weergave van de aldaar afgelegde verklaringen van getuigen, deskundigen en verdachte. De geluidsopname kan hierbij slechts dienen ter controle door partijen van de verslaglegging in het concept van het proces-verbaal van die zitting en het maken van op- en aanmerkingen bij dat concept, waarna degenen die door de wet zijn aangewezen voor de vaststelling, het proces-verbaal definitief vaststellen.

Het middel is gegrond. De Hoge Raad zal de voorzitter en de griffier van het Hof in de gelegenheid stellen een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 14 november 2014 op te maken dat voldoet aan de eisen van het eerste en het tweede lid van art. 326 Sv. Met het oog daarop dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF