Gebondenheid gerecht aan eerdere beslissingen verwijzend gerecht bij toepassing van art. 62b RO

Hoge Raad 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:455

De verdachte is bij arrest van 27 mei 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep gericht tegen de vrijspraak van een bedreiging met een misdrijf tegen het leven (parketnummer 09-754191-11 onder 9A) en van laster (parketnummer 09-650048-12) en vrijgesproken van groepsbelediging zoals onder 7 in de zaak met parketnummer 09-754191-11 ten laste is gelegd.

De verdachte is door het hof veroordeeld wegens een 13-tal feiten inhoudende het doen van een valse bommelding, bedreiging met een misdrijf tegen het leven, opruiing tegen het openbaar gezag, smaadschrift, smaadschrift gericht tegen een ambtenaar in functie, laster, eenvoudige belediging, belaging en vernieling. Daarbij heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 345 dagen waarvan 240 dagen voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte de artikelen die hij op internet heeft geplaatst en die in de bewezenverklaring genoemd worden binnen één maand na het onherroepelijk worden van het arrest zal verwijderen en met aftrek van voorarrest.

De gang van zaken in hoger beroep is als volgt geweest. Aanvankelijk werd de zaak tegen de verdachte behandeld door het hof Den Haag. Dit hof wees het verzoek van de verdediging om drie getuigen te horen toe en besliste dat zij gehoord zouden worden door de raadsheer-commissaris. Daarnaast wees het hof een verzoek van de verdediging om door de advocaat-generaal onderzoek te (doen) verrichten toe. Nadat bleek dat een van de te horen getuigen getrouwd was met een persoon werkzaam bij het hof Den Haag, heeft dit hof de zaak op grond van art. 62b RO verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof heeft vervolgens geoordeeld dat het, behoudens de verwijzingsbeslissing, niet gebonden was aan enige eerder genomen beslissing door het hof Den Haag en heeft de hernieuwde verzoeken van de verdediging tot het horen van de drie door het hof Den Haag toegewezen getuigen en tot het doen van nader onderzoek afgewezen.
 

Middel

Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van de door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van getuigen en tot het verrichten van nader onderzoek op de grond dat het Hof het bepaalde in art. 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft miskend door zich na verwijzing van de zaak door het Gerechtshof Den Haag niet gebonden te achten aan de reeds door dat verwijzende hof genomen beslissingen.
 

Beoordeling Hoge Raad

Art. 46b RO luidt: "De rechtbank kan een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een andere rechtbank, indien naar haar oordeel door betrokkenheid van de rechtbank behandeling van die zaak door een andere rechtbank gewenst is."

Art. 62b RO luidt: "Het gerechtshof kan een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is."

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 juni 2012, Stb. 2012, 313 (Wet herziening gerechtelijke kaart) waarbij art. 46b RO is ingevoerd en art. 62b RO is komen te luiden als hiervoor weergegeven, houdt onder meer het volgende in:

"Artikel 46b

(...)

In het vooralsnog niet in werking getreden artikel 41, zevende lid, zoals dat zou komen te luiden ingevolge de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie, was geregeld dat de minister in verband met zwaarwegende omstandigheden kan bepalen dat de terechtzitting wordt gehouden buiten het arrondissement. In zijn advies over het conceptwetsvoorstel heeft de Raad voor de rechtspraak er terecht op gewezen dat het eenvoudiger is om voor deze evidente categorie van zaken uitdrukkelijk in de wet een verwijzingsmogelijkheid op te nemen. Dit voorstel wordt overgenomen. Daarbij is gekozen voor een wat bredere werking, overeenkomstig de voorziening die per 1 april 2002 is opgenomen in artikel 8:13, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht. Die bepaling maakt verwijzing naar een andere rechtbank mogelijk indien naar het oordeel van de verwijzende rechtbank door «betrokkenheid van de rechtbank» behandeling van de zaak door een andere rechtbank gewenst is. Deze formulering omvat niet alleen gevallen waarin een rechtbankmedewerker partij of betrokkene bij de zaak, maar maakt verwijzing ook mogelijk als bijvoorbeeld de rechtbank zelf partij is (bijvoorbeeld bij een geschil over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning) of als sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft. Anders dan de Raad voor de rechtspraak heeft voorgesteld, wordt, aangezien het een rechtsprekende bevoegdheid betreft, deze verwijzingsmogelijkheid aan de rechtbank zelf, dus niet aan het gerechtsbestuur, toegedeeld. Artikel 46b zal vanzelfsprekend ook toegepast kunnen worden, indien er sprake is van een geschil waarbij niet een rechtbankmedewerker, maar een medewerker van het arrondissementsparket betrokken of partij is.

(...)

Y (artikel 62b)

(...) in artikel 62b [wordt] voor het gerechtshof eenzelfde regeling opgenomen als in het nieuw voorgestelde artikel 46b is opgenomen voor rechtbanken. Daarmee wordt mogelijk gemaakt dat zaken waarbij het gerechtshof betrokkenheid heeft, naar een ander gerechtshof kunnen worden verwezen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op het nieuw voorgestelde artikel 46b." (Kamerstukken II 2010/11, 32 891, nr. 3, p. 52-53)

Blijkens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is in art. 46b en 62b RO een voorziening opgenomen overeenkomstig het toenmalige art. 8:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 24 januari 2002, Stb. 2002, 53 (Eerste evaluatiewet Awb) waarbij art. 8:13, eerste lid, (oud) Awb is gewijzigd, houdt onder meer in:

"De wijziging in dit artikel is ingegeven door een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad). (...) Het bestreden besluit in deze zaak was een koninklijk besluit waarmee aan gedaagde eervol ontslag werd verleend als gerechtsauditeur bij de rechtbank te Amsterdam. Tegen dit besluit was gedaagde in beroep gegaan bij de rechtbank te Amsterdam, die bevoegd was op basis van de geldende regeling voor relatieve competentie. (...) De omstandigheden waar hier door de Raad op wordt gedoeld zien op de situatie dat gedaagde werkzaam is geweest bij de rechtbank te Amsterdam en vervolgens bij deze rechtbank in beroep moest gaan tegen een besluit waar de rechtbank - als dagelijkse «werkgever» - bij de totstandkoming van dat besluit betrokken was geweest.

Wij zijn van mening dat de situatie zoals deze zich heeft voorgedaan in bovengenoemde zaak in de toekomst moet worden voorkomen, o.m. ter voorkoming van situaties die strijdig zouden kunnen zijn met artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Wij achten het dan ook wenselijk artikel 8:13 aan te vullen met een extra verwijzingsmogelijkheid. (...)

In dit onderdeel wordt artikel 8:13, eerste lid, dan ook aangevuld met de mogelijkheid voor een rechtbank om een zaak die bij haar aanhangig is gemaakt te verwijzen naar een andere rechtbank, indien door betrokkenheid van de rechtbank de zaak niet geschikt is voor behandeling door de rechtbank zelf." (Kamerstukken II 1998/99, 26 523, nr. 3, p. 8-9)

Art. 46b en 62b RO maken verwijzing ter verdere behandeling van een zaak naar een andere rechtbank of een ander gerechtshof mogelijk indien dat door de verwijzende rechtbank of het verwijzende hof gewenst wordt geoordeeld gelet op betrokkenheid van het gerecht bij die zaak. Blijkens de hiervoor onder 2.3.2 en 2.3.3 weergegeven wetsgeschiedenis strekt de verwijzingsbevoegdheid mede ertoe te waarborgen dat de behandeling van een zaak plaatsvindt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Gelet hierop dienen art. 46b en 62b RO, wat betreft de behandeling van strafzaken, aldus te worden uitgelegd dat na de verwijzing van de zaak ter verdere behandeling het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen en dat het gerecht na verwijzing niet is gebonden aan enige beslissing van het verwijzende gerecht. De uitdrukking ter "verdere" behandeling in art. 46b en 62b RO maakt duidelijk dat verwijzing ook mogelijk is na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting.

Het middel berust op de opvatting dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was gebonden aan de, voor de verwijzing naar dat Hof, door het Gerechtshof Den Haag gewezen beslissingen, als vermeld onder 2.2 (iii). Die opvatting vindt, in aanmerking genomen hetgeen onder 2.4 is vooropgesteld, geen steun in het recht. Het middel faalt derhalve.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^