Faillissementsfraude: nalaten overhandigen van deugdelijke administratie aan curator. Vrijspraak voor verkoop bedrijfsactiviteiten beneden de waarde.

Rechtbank Midden-Nederland 21 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3049

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 10 april 2012 t/m 18 november 2013 in vestigingsplaats en/of vestigingsplaats en/of vestigingsplaats, samen met een ander, als bestuurder van bedrijf B.V., die op 10 april 2012 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die rechtspersoon de volgende handelingen heeft verricht:

  • het grootste deel van de bedrijfsactiviteiten van bedrijf B.V. voornoemd beneden de waarde te verkopen;
  • het niet voldoen aan zijn verplichting tot voeren van een administratie, het bewaren hiervan en het aan de curator ter beschikking stellen van deze administratie.

Bedrijf B.V. is bij vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 10 april 2012 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. J.J. Dingemans, advocaat te Utrecht, als curator.

De bestuurders van bedrijf B.V. zijn bedrijf B.V. en bedrijf B.V.

Enig aandeelhouder en bestuurder van bedrijf B.V. is verdachte en enig aandeelhouder en bestuurder van bedrijf B.V. is medeverdachte.

Medeverdachte en verdachte hadden ieder een aandeel van 50% in bedrijf B.V. Medeverdachte deed de administratie en verdachte regelde het prak- tische gedeelte.

De curator heeft aangegeven dat de administratie van bedrijf B.V. niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Ondanks vele verzoeken daartoe beschikt de curator niet over (deugdelijke) volledige administratie. De enige informatie die de bestuurders hebben overgelegd is een credi- teurenlijst zonder bedragen en een klantenlijst.

De curator heeft zelf via de Kamer van Koophandel de jaarrekeningen ver- kregen, waarbij de jaarrekening over 2008 niet is gedeponeerd. Winst- en verliesrekeningen, staten van activa en passiva, debiteuren- en gespecifi- ceerde crediteurenlijsten ontbreken.

Volgens medeverdachte ligt de complete administratie in vestigingsplaats.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De officier van justitie baseert zich hierbij op de zich in het dossier bevindende bewijs- middelen en hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integraal vrijspraak bepleit omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Met betrekking tot de verkoop van de activa van bedrijf B.V. ontbreekt bewijs dat de verkoop beneden de waarde is geweest.

Oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen dat de bedrijfsactiviteiten van bedrijf B.V. beneden de waarde zijn verkocht. Niet is komen vast te staan wat de waarde was van de activa van bedrijf B.V. ten tijde van de overdracht, zodat niet kan worden vastgesteld dat de verkoop van de activa beneden de waarde heeft plaatsgevonden. De enkele opmerking van medeverdachte dat de activa ‘voor een appel en een ei zijn weggegaan’ is hiervoor onvoldoende. De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat deze opmerking geen betrekking had op de betreffende transactie. Deze toelichting is niet hoogst onwaarschijnlijk. Enig ander bewijs dat de activa beneden de waarde zijn verkocht, ontbreekt. De markt waarop bedrijf B.V. zich begeeft en waarbinnen de overdracht van de activa heeft plaats- gevonden is een markt van weinig partijen zonder vergelijkbare transacties voor zover bekend.

Daarbij komt dat e verkoop van de activa heeft plaatsgevonden op 5 januari 2012 en die datum valt buiten de ten laste gelegde periode.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging met betrekking tot de verkoop van de activa van bedrijf B.V.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de administratie aan de curator ter beschikking heeft gesteld doordat hem is aangeboden om deze administratie te komen inzien. De verdediging heeft ter terechtzitting verwezen naar de e-mail van 7 maart 2013 aan een kantoorgenoot van de curator en e-mailberichten van 13 en 17 april 2012 overgelegd. De recht- bank is van oordeel dat de handelswijze van verdachte onvoldoende is om te voldoen aan de verplichting om de administratie ‘te voorschijn te brengen’. Het moet hierbij immers gaan om ‘het aan de curator ter beschikking stellen van de administratie en de balans en staat van baten en lasten’. Het enkele aanbieden aan de curator om de administratie te komen inzien is hiertoe onvoldoende, aangezien ten aanzien van de bestuurder van de gefailleerde een actieve informatieplicht jegens de curator geldt.

Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 105 en 106 van de Faillis- sementswet.

Zelfs indien de curator tijdens zijn eerste contacten met (bestuurders van) de failliet niet expliciet zou hebben gevraagd naar de aanwezige administratie en daarbij behorende bewijsstukken is de failliet gehouden om uit eigen beweging de bestaande administratie aan de curator af te dragen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte als bestuurder van de failliete vennootschap opzettelijk niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen om de bestaande administratie aan de curator te overhandigen. Door het niet op vordering van de curator uitleveren van de bestaande administratie heeft verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers doen ontstaan. Zonder administratie heeft de curator immers geen zicht op de baten en lasten van de vennootschap en weet hij daarmee niet wat hij onder welke schuldeisers kan verdelen.

Ten aanzien van deze gedraging is voldaan aan de voorwaarde dat verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuld- eisers.

Gelet op het feit dat medeverdachte en verdachte (ieder voor 50%) als aan- deelhouder en (middellijk) bestuurder verantwoordelijk waren van de vennootschap en gezien de onderlinge taakverdeling waaruit een nauwe en bewuste samenwerking blijkt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit samen met medeverdachte heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.

Strafoplegging

Door na te laten een deugdelijke administratie aan de curator te over- handigen, zijn de schuldeisers in het faillissement benadeeld. Het tekort in het faillissement is rond de € 300.000.

De rechtbank veroordeeld verdachte tot een taakstraf van 120 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

Medeverdachte

Ten aanzien van medeverdachte wordt bewezenverklaard dat deze

  • als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet heeft voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld; alsmede
  • medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet heeft voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.

Medeverdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF