Faillissementsfraude door bestuurder: hof veroordeelt bij verstek tot acht maanden cel en vijfjarig bestuursverbod voor buitensporige uitgaven en onttrekkingen van ruim € 168.000

Gerechtshof Amsterdam 23 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1370

Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt bij verstek een voormalig bestuurder voor faillissementsfraude tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en een beroepsverbod van vijf jaren. De verdachte verbruikt en onttrekt buitensporig middelen aan een vennootschap waarvan hij weet dat die technisch failliet is, onder meer door een Porsche Panamera te leasen, woningen voor privégebruik te huren en zonder zakelijke grondslag geldbedragen naar zijn eigen vennootschap over te maken. Het totale benadelingsbedrag bedraagt volgens de curator € 168.546. Het hof oordeelt dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft op de benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Daarnaast schendt de verdachte zijn inlichtingenplicht door de door de curator gevraagde stukken niet aan te leveren. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg matigt het hof de gevangenisstraf van negen naar acht maanden.

Inleiding en context

De zaak speelt voor de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2024. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1957. Hij stelt zelf hoger beroep in tegen het vonnis, maar verschijnt niet ter terechtzitting in hoger beroep, zodat het hof bij verstek arrest wijst.

De achtergrond van de zaak is het faillissement van een besloten vennootschap, dat op 2 februari 2018 wordt uitgesproken. De verdachte is van 10 januari 2017 tot en met 22 september 2017 algemeen directeur van die vennootschap geweest en is per 1 februari 2017 benoemd tot statutair en zelfstandig bevoegd bestuurder. De grootaandeelhouder benoemt hem in de veronderstelling dat hij het bedrijf kan redden, aangezien de onderneming op dat moment volgens de controller reeds technisch failliet is. De curator doet op 9 juli 2019 melding van mogelijke faillissementsfraude en een opvolgend curator doet op 18 januari 2021 aangifte. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, omdat het tot een iets andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt, maar neemt de overwegingen van de rechtbank voor een belangrijk deel over.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij als bestuurder van de rechtspersoon, voorafgaand aan het faillissement, buitensporig middelen van de vennootschap heeft verbruikt, uitgegeven of vervreemd en goederen aan de boedel heeft onttrokken, terwijl hij wist dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. Dit feit is primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegd, telkens gericht op hetzelfde feitencomplex maar met een oplopend lichtere bestanddeleneis. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij als bestuurder van de gefailleerde vennootschap, wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen aan de curator te verstrekken.

Het primaire feit betreft de bedrieglijke bankbreuk door een bestuurder als bedoeld in artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht. Feit 2 ziet op het in het faillissement van een ander schenden van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 194 van het Wetboek van Strafrecht. Centraal bij feit 1 staan de bestanddelen buitensporig middelenverbruik, onttrekking aan de boedel en het opzet op de benadeling van schuldeisers, waaronder ook voorwaardelijk opzet wordt begrepen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daarnaast vordert de advocaat-generaal dat de verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd voor de duur van vijf jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdachte verschijnt niet ter terechtzitting in hoger beroep en laat zich daar niet verdedigen, zodat geen verweren ter zitting in hoger beroep worden gevoerd. Uit de behandeling in eerste aanleg, waarnaar het hof verwijst, blijkt wel het standpunt van de verdachte. Hij ontkent de feiten en stelt dat hij als medebestuurder juist maatregelen heeft genomen om de onderneming voort te zetten, dat de vennootschap in 2017 zou floreren en zonder zijn ingrijpen nooit had hoeven failleren. Met betrekking tot de afzonderlijke uitgaven voert de verdachte aan dat de grootaandeelhouder de Porsche als beloning voor hem zou hebben geregeld, dat een betaling van € 17.856 een terugbetaling betreft voor het voorschieten van een cruise, en dat hij de kosten van de huurwoning in Amersfoort inmiddels zou hebben vergoed. Ten aanzien van feit 2 stelt de verdachte dat hij de gevraagde stukken wel heeft aangeleverd, althans dat bepaalde stukken niet bestaan.

Oordeel gerecht

Het hof komt niet toe aan formele voorvragen en concentreert zich op de bewijsvraag. Het hof stelt vast dat de onderneming reeds technisch failliet is op het moment dat de verdachte de leiding krijgt en dat de verdachte dat zelf weet. De controller rapporteert dagelijks de financiële gegevens en wijst de verdachte herhaaldelijk erop dat de vennootschap niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Het hof verwerpt op grond van getuigenverklaringen en documenten de stelling van de verdachte dat de vennootschap zou floreren en dat zijn beleid de financiering of de overname van een andere vennootschap mogelijk maakte; van beleidsombuigingen is geen sprake en de schulden lopen in zijn bestuursperiode juist op.

Het hof acht redengevend dat de verdachte in deze periode verschillende niet-zakelijke uitgaven doet of laat doen. Het beëindigen van de bestaande leaseauto en het aangaan van een leasecontract voor een Porsche Panamera leidt tot kosten van € 63.606. De huur van twee woningen voor privégebruik leidt tot kosten van € 27.918. Een opdracht aan een onderzoeksbureau voor privédoeleinden kost de vennootschap € 8.759. Daarnaast laat de verdachte bedragen van € 15.681, € 17.856, € 14.000 en € 6.925,42 zonder zakelijke reden overmaken naar een vennootschap waarvan hij zelf enig aandeelhouder en bestuurder is. Het hof verwerpt de verklaringen van de verdachte over deze posten, mede op grond van de verklaring van de grootaandeelhouder, en overweegt ten overvloede dat de verdachte deze uitgaven, ook als zijn lezing zou kloppen, als bestuurder nooit had mogen doen.

Het hof oordeelt dat de verdachte, gelet op zijn wetenschap van de zeer slechte financiële situatie, door deze buitensporige uitgaven en onttrekkingen op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft op de benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. De verdachte aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat de schuldeisers worden benadeeld. Uit de aangifte van de curator blijkt dat die benadeling zich ook daadwerkelijk voordoet; dat de verdachte stelt de kosten van een huurwoning te hebben vergoed, doet daar niet aan af, omdat die kosten deel uitmaken van de boedelschuld en het faillissement eindigt voordat de vordering wordt voldaan. Het hof acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 oordeelt het hof dat de verdachte heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door de door de curator gevraagde stukken niet tijdig aan te leveren. De stelling dat hij dit wel zou hebben gedaan, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, waaronder een door de verdachte ondertekend gespreksverslag waarin hij toezegt de stukken te zullen verstrekken. Dat een deel van de stukken mogelijk later bij de FIOD is aangeleverd of niet zou bestaan, verandert dit oordeel niet. Het hof kwalificeert het bewezen verklaarde onder feit 1 als het meermalen plegen van bedrieglijke bankbreuk door een bestuurder en het bewezen verklaarde onder feit 2 als het schenden van de inlichtingenplicht in het faillissement van een ander.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

  • als bestuurder van de rechtspersoon, voorafgaand aan het faillissement van 2 februari 2018 en in de periode van 10 januari 2017 tot en met 22 september 2017, buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt en uitgegeven en goederen aan de boedel heeft onttrokken, door in naam en op kosten van de vennootschap een Porsche Panamera te leasen (€ 63.606), huurovereenkomsten voor woningen aan te gaan (€ 27.918) en een opdracht voor privédoeleinden te laten geven (€ 8.759), en door zonder zakelijke reden de bedragen van € 15.681, € 17.856, € 14.000 en € 6.925,42 te laten overmaken naar zijn eigen vennootschap, terwijl hij wist dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

  • in de periode van 16 oktober 2018 tot en met 18 januari 2021 als bestuurder van de op 2 februari 2018 failliet verklaarde rechtspersoon, wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door de door de curator gevraagde stukken niet aan te leveren.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof bepaalt de straf op grond van de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. Het hof rekent de verdachte aan dat hij de positie van de onderneming binnen negen maanden verder heeft verzwakt, zichzelf in privé heeft bevoordeeld ten nadele van de rechtspersoon en de schuldeisers, en de afwikkeling van het faillissement heeft bemoeilijkt. Het totale benadelingsbedrag bedraagt volgens de curator € 168.546. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte de feiten ontkent, in hoger beroep niet verschijnt en geen inzicht toont in het kwalijke van zijn handelen, alsmede dat hij blijkens zijn documentatie eerder onherroepelijk is veroordeeld voor oplichting en verduistering in dienstbetrekking, gepleegd als commercieel directeur van een rechtspersoon, hetgeen het hof als soortgelijk aanmerkt.

Aan de hand van de oriëntatiepunten van de LOVS, die bij een benadelingsbedrag tussen € 125.000 en € 250.000 een gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden noemen, acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden passend. Het hof ziet geen aanleiding voor een lagere of deels voorwaardelijke straf. Wel stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg met ongeveer een jaar en zes maanden is overschreden, aangezien de verdachte op 23 maart 2021 als verdachte is gehoord en het vonnis dateert van 8 augustus 2024. Daarin ziet het hof aanleiding de straf te matigen tot een gevangenisstraf van acht maanden.

Als bijkomende straf ontzet het hof de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van vijf jaren. Het hof acht de kans op herhaling aanwezig, gelet op de betrokkenheid van de verdachte bij faillissementen van verschillende rechtspersonen en zijn eerdere veroordeling. De duur van deze ontzetting is korter dan de rechtbank had bepaald, omdat artikel 31 van het Wetboek van Strafrecht in dit geval een maximum van vijf jaren stelt. De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 28, 31, 57, 194 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^