EVOA: Veroordeling rechtspersoon wegens ontbreken CCIC-certificaat bij overbrenging afvalstof. Schuldigverklaring zonder oplegging straf vanwege overschrijding redelijke termijn met 4 jaar.

Rechtbank Rotterdam 26 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3448

De verdachte rechtspersoon heeft een container beladen met kunststofafval vanuit Duitsland doen overbrengen naar China. Het transport van dit afval is niet vergezeld gegaan van een zogenoemd CCIC-certificaat, zodat sprake is van illegale overbrenging als bedoeld in de EVOA.
 

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de afwezigheid van een CCIC-certificaat bij de overbrenging van afvalstoffen geen overtreding van artikel 2 onder 35 sub e van de Verordening (EG) 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna te noemen: EVOA) oplevert, nu de aanwezigheid van een CCIC-certificaat is gebaseerd op nationale regelgeving van China en niet is vastgelegd in communautaire of internationale regelgeving. Dat maakt dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat de verdachte rechtspersoon moet worden vrijgesproken.


Beoordeling rechtbank

De vraag die in deze zaak centraal staat is of het ontbreken van een CCIC-certificaat bij de overbrenging van een afvalstof naar China, in strijd is met communautaire of internationale regelgeving.

De rechtbank beantwoordt deze vraag overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie bevestigend en overweegt daartoe met de officier van justitie het volgende.

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de verdachte rechtspersoon een container beladen met kunststofafval vanuit Duitsland naar China heeft doen overbrengen en dat deze overbrenging niet vergezeld ging van een CCIC-certificaat. Verder staat vast dat het kunststofafval een afvalstof met goederencode code-naam, zoals bedoeld in Bijlage III bij de EVOA is.

Nu het in de onderhavige zaak gaat om de overbrenging van een afvalstof van bijlage III van de EVOA, waarvan de uitvoer niet is verboden op grond van artikel 36 van de EVOA, naar een land dat geen lid is van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna te noemen: een niet OESO-land), te weten China, is artikel 37 van de EVOA van toepassing.

In het eerste lid van artikel 37 van de EVOA is bepaald dat de Commissie van de Europese Gemeenschap niet-OESO landen schriftelijk verzoekt (de zogenoemde ‘Questionnaire’) te bevestigen dat de afvalstoffen vanuit de Gemeenschap mogen worden uitgevoerd en aan te geven welke controleprocedure in het land van bestemming in dat geval van toepassing is. Op grond van artikel 37, tweede lid, van de EVOA moeten de antwoorden op dit verzoek worden vastgelegd in een verordening.

De antwoorden op de Questionnaire zijn vastgelegd in de Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 (hierna te noemen: de verordening nr. 1418/2007). Uit overweging 1 van deze verordening blijkt immers dat de Commissie in overeenstemming met artikel 37, eerste lid, van de EVOA een schriftelijk verzoek heeft verzonden aan niet-OESO landen. Uit overweging 4 van de verordening nr. 1418/2007 blijkt dat China op dit schriftelijk verzoek heeft geantwoord.

Uit de bijlage bij verordening nr. 1418/2007 blijkt dat de afvalstof die de verdachte rechtspersoon vanuit China naar Duitsland heeft doen overbrengen is geplaatst in kolom d. Letter d boven de kolom in de bijlage betekent: ‘er zullen in het land van bestemming volgens het toepasselijke nationale recht andere controleprocedures worden gevolgd. (…)’ Het antwoord van China op de Questionnaire houdt een nadere omschrijving van die ‘andere controleprocedure’ in. China schrijft in dat kader voor dat het te importeren afval vergezeld gaat van een drietal documenten, te weten: een ‘SEPA-Licence’, een ‘AQSIQ-Licence’ en een ‘Certificate for Pre-shipment Inspection of Recycling Scraps to China’, ook wel CCIC-certificaat genoemd.

Nu de overbrenging van het kunststofafval niet vergezeld is gegaan van een CCIC-certificaat heeft de verdachte rechtspersoon de via de in de bijlage bij verordening nr. 1418/2007 voorgeschreven andere controleprocedures niet nageleefd.

De verdachte rechtspersoon heeft derhalve gehandeld in strijd met artikel 1 van verordening nr. 1418/2007, waarin - voor zover in dit kader relevant - is bepaald dat de uitvoer van in bijlage III opgenomen afval plaatsvindt volgens de in de bijlage vastgestelde procedures.

De verdachte rechtspersoon heeft daarmee gehandeld in strijd met communautaire regelgeving zodat sprake is van illegale overbrenging van afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 2, sub 35, onder e, van de EVOA.

Het verweer wordt verworpen.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte rechtspersoon het haar ten laste gelegde heeft begaan.
 

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
 

Strafoplegging

Tussen 31 mei 2011 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van bijna zes jaren. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaren, is in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van bijna vier jaren.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van een sanctie niet opportuun. De rechtbank zal de verdachte rechtspersoon daarom schuldig verklaren, maar hem geen straf opleggen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF