Duitsland verviervoudigt maximumboete voor ondernemingen en codificeert straftoemetingscriteria
/De Duitse ministerraad, het Bundeskabinett, heeft een wetsontwerp aangenomen dat de maximumboete voor ondernemingen in Duitsland verviervoudigt. Bij opzettelijke delicten gaat het maximum van tien naar veertig miljoen euro, bij delicten uit onachtzaamheid van vijf naar twintig miljoen euro. Het ontwerp implementeert de Europese richtlijn voor de strafrechtelijke bescherming van het milieu, maar de verhoging geldt voor alle delicten waarvoor een onderneming in Duitsland aansprakelijk kan worden gehouden, dus ook ver buiten het milieuterrein. Daarnaast worden de criteria voor de straftoemeting voor het eerst expliciet in de wet vastgelegd. Voor de Nederlandse strafrechtpraktijk is dat een opvallende ontwikkeling: het Duitse sanctierecht voor ondernemingen, dat formeel geen strafrecht is maar bestuursrecht, krijgt een aanzienlijk steviger profiel zonder dat Duitsland de stap zet naar een volwaardig stelsel waarin rechtspersonen strafrechtelijk aansprakelijk zijn.
Hoe werkt het Duitse systeem voor ondernemingen?
Anders dan in Nederland, waar rechtspersonen op grond van artikel 51 Sr volwaardig strafrechtelijk aansprakelijk kunnen zijn, kent Duitsland geen echt ondernemingsstrafrecht. Een Duitse onderneming kan zelf niet als verdachte worden vervolgd. Wel kan haar een boete worden opgelegd langs bestuursrechtelijke weg, op grond van § 30 van het Gesetz über Ordnungswidrigkeiten (OWiG), de Duitse wet op de bestuursrechtelijke overtredingen. Die boete heet in Duitsland de Verbandsgeldbuße, vrij vertaald de ondernemingsboete. Voorwaarde is dat een leidinggevende binnen de onderneming een strafbaar feit of een bestuursrechtelijke overtreding heeft begaan, en dat de onderneming daardoor verplichtingen heeft geschonden of zich heeft verrijkt. Naast de pure boete kan ook het wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgeroomd.
Wat verandert er concreet?
Het wetsontwerp bevat twee centrale wijzigingen voor ondernemingen. De eerste is de verhoging van de maximumboete. Op dit moment ligt het maximumbedrag bij opzettelijke delicten op tien miljoen euro en bij delicten uit onachtzaamheid op vijf miljoen euro. Het ontwerp verviervoudigt deze bedragen naar respectievelijk veertig en twintig miljoen euro. De tweede wijziging is de wettelijke verankering van de criteria die bepalen hoe hoog de boete in een concreet geval moet zijn. Tot dusver volgt de Duitse rechter daarvoor algemene regels uit het bestuursrechtelijke overtredingenrecht, maar de specifieke criteria voor ondernemingsboetes worden voor het eerst expliciet vastgelegd. Volgens de persmededeling van het Bundesumweltministerium, het Duitse ministerie van Milieu, gaat het om drie elementen: de ernst van het strafbare feit, het verwijt dat de onderneming treft, en haar economische omstandigheden.
Het Europese kader: de milieurichtlijn
De directe aanleiding voor het wetsvoorstel is de Europese verplichting om Richtlijn (EU) 2024/1203 over de strafrechtelijke bescherming van het milieu om te zetten in nationaal recht. Deze richtlijn trad op 20 mei 2024 in werking en moet uiterlijk 21 mei 2026 zijn omgezet, zoals beschreven op unternehmensstrafrecht.de. De richtlijn vervangt de eerdere Richtlijn 2008/99/EG en breidt het aantal strafbaarstellingen aanzienlijk uit, onder meer met zwaardere kwalificaties voor opzettelijk veroorzaakte catastrofale gevolgen voor het milieu. Voor rechtspersonen schrijft de richtlijn minimum-sanctieplafonds voor: voor de zwaarste delicten veertig miljoen euro of een percentage van de wereldwijde omzet, voor de overige onder de richtlijn vallende milieudelicten een minimum-maximum van vierentwintig miljoen euro. Een analyse van die plafonds is te vinden bij Wistev. Duitsland kiest voor vaste maximumbedragen in plaats van een omzetgebonden boete.
Bredere doorwerking buiten het milieurecht
De Europese richtlijn vereist alleen aanpassingen voor milieudelicten. Duitsland gaat verder. De persmededeling van het Bundesministerium der Justiz van 17 oktober 2025, afkomstig van het Duitse ministerie van Justitie, kondigt een algemene wijziging aan van § 30 OWiG. Zoals nader geanalyseerd door advocaten van Clifford Chance op Legal Tribune Online raakt de verhoging daardoor alle delicten waarvoor een onderneming op grond van het handelen van haar leidinggevenden aansprakelijk kan worden gehouden. Het ministerie noemt deze algemene verhoging een "spürbare" stap, vrij vertaald een merkbare stap, die discrepanties tussen verschillende sanctieregimes en een versplintering van het sanctiekader moet voorkomen. De achtergrond daarvan is dat in sommige toezichtsregimes, zoals in het financiële marktrecht, al langer hogere boetes mogelijk waren dan voor reguliere strafbare feiten, wat tot onevenwichtigheid leidde. Voor de praktijk betekent de verhoging dat ook fraude, corruptie, witwasdelicten en commune vermogensdelicten onder het nieuwe maximum vallen, zonder dat daar een milieuaspect aan te pas hoeft te komen.
Codificatie van de straftoemetingscriteria
Het tweede onderdeel, de wettelijke vastlegging van de straftoemetingscriteria, is in juridisch opzicht minstens zo belangrijk. Tot op heden moest de Duitse rechter voor de hoogte van de ondernemingsboete teruggrijpen op algemene regels uit het bestuursrechtelijke overtredingenrecht, terwijl in de literatuur en rechtspraak verschillende benaderingen circuleerden over de plaats van compliance-inspanningen, samenwerking met de autoriteiten en interne onderzoeken in die afweging. De Bundesgerichtshof, het Duitse hoogste rechtscollege in straf- en civielrechtelijke zaken, oordeelde op 6 maart 2024 (1 StR 308/23) nog dat voor elke afzonderlijke onderliggende daad een aparte ondernemingsboete moet worden opgelegd, een uitspraak die het belang van duidelijke maatstaven onderstreepte. De Engelstalige vakpers, waaronder Global Investigations Review (14 mei 2026), spreekt in dit verband over de introductie van sentencing guidelines. Dat is een Amerikaans en Brits begrip dat in Duitsland niet als zodanig wordt gehanteerd, maar het idee van een gestructureerd kader voor de straftoemeting komt overeen met wat het Duitse wetsontwerp beoogt.
Geen volwaardig ondernemingsstrafrecht
Ondanks de aanscherping blijft het Duitse stelsel formeel bestuursrechtelijk van aard. Een eerder Duits wetsvoorstel om wel een echt ondernemingsstrafrecht in te voeren, het zogeheten Verbandssanktionengesetz, vrij vertaald de Wet op ondernemingssancties, is in een eerdere kabinetsperiode niet aangenomen. Volgens een overzicht van ICLG bestaat er op dit moment geen voornemen om die stap alsnog te zetten; de wetgever kiest voor herziening van het bestaande kader. De Engelstalige berichtgeving signaleert wel dat de combinatie van forse verhoging en wettelijke straftoemetingscriteria Duitsland feitelijk dichter brengt bij een stelsel van corporate criminal liability, omdat compliance-inspanningen in de sanctiebepaling een vastere plek krijgen. Of die feitelijke ontwikkeling op termijn ook tot een principiële koersverandering leidt, is op dit moment niet te zeggen.
Reacties uit de praktijk en het bedrijfsleven
De reacties op het wetsvoorstel zijn verdeeld. Brancheorganisaties uit het Duitse bedrijfsleven, de zogeheten Verbände, hebben in een gezamenlijke reactie kritiek geuit op de verhoging van de maximumboete. Zij stellen dat de viervoudiging onevenredig hard aankomt bij middelgrote ondernemingen, en wijzen erop dat hoge boetes ondanks slechts indirecte verantwoordelijkheid van de onderneming, namelijk via het handelen van een leidinggevende, het voortbestaan van een bedrijf in gevaar kunnen brengen. Zij pleiten voor een strikte één-op-één-omzetting van de Europese richtlijn, dus zonder verdere uitbreiding. Bredere overzichten van de reacties op het voorstel, zoals samengevat door unternehmensstrafrecht.de en KPMG Law, laten een gemengd beeld zien. Een deel van de praktijk vindt de omzetting van Richtlijn (EU) 2024/1203 gepast en terughoudend, andere reacties zien het ontwerp juist als een duidelijke overschrijding van het Europese minimum, vooral omdat de verhoging niet beperkt blijft tot milieudelicten. Een terugkerend punt in de praktijk is wel dat de wettelijke verankering van de straftoemetingscriteria de positie van ondernemingen met een aantoonbaar compliance-systeem versterkt, omdat die inspanningen voortaan een expliciete plaats hebben bij de bepaling van de boete.
Relevantie voor de Nederlandse praktijk
Voor de Nederlandse bijzonder-strafrechtpraktijk is het wetsontwerp om verschillende redenen relevant. Nederlandse ondernemingen met activiteiten in Duitsland, en hun bestuurders, krijgen te maken met een aanzienlijk hoger sanctiekader dan voorheen, ook buiten het milieuterrein. Voor strafrechtadvocaten en compliance-officers die over de grens werken, verschuift het ankerpunt voor risicobeoordelingen aanzienlijk: een feitencomplex dat tot voor kort hooguit een ondernemingsboete van tien miljoen euro kon opleveren, kan onder het nieuwe regime tot veertig miljoen euro leiden. Ook vergelijkenderwijs is de ontwikkeling interessant. Waar Nederland sinds 1976 in artikel 51 Sr volwaardige strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen kent, blijft Duitsland kiezen voor de bestuursrechtelijke route, maar nadert de feitelijke werking van die route in toenemende mate die van een strafrechtelijk sanctiestelsel. Of de codificatie van de straftoemetingscriteria daadwerkelijk leidt tot een meer voorspelbare boetebepaling, zal in de praktijk moeten blijken.
Afsluiting
Met de aanname van het wetsontwerp door de Duitse ministerraad zet Duitsland een ingrijpende stap in de sanctionering van ondernemingen. De omzetting van Richtlijn (EU) 2024/1203 wordt aangegrepen voor een algemene herziening van het ondernemingsboeterecht die aanzienlijk verder reikt dan het milieurecht en die het sanctiekader voor ondernemingen op één lijn brengt met de zwaardere sectorale boeteregimes. De wettelijke verankering van de straftoemetingscriteria geeft het systeem een steviger juridisch fundament, terwijl de keuze om de bestuursrechtelijke route te behouden de Duitse traditie respecteert. De behandeling in de Bundestag, het Duitse parlement, en de manier waarop praktijk en rechtspraak invulling zullen geven aan de nieuwe criteria, zullen bepalend zijn voor de daadwerkelijke gevolgen voor ondernemingen in Duitsland en daarbuiten.
