De rechtbank acht bewezen dat verdachte, De Roy van Zuydewijn, zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift

Rechtbank Amsterdam 13 augustus 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5046

Essentie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door het opstellen van een valse factuur. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c (oud), 22d (oud) en 225 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren.

Feiten

Op 28 oktober 1998 is de onderneming X opgericht. De onderneming wordt gedreven door verdachte. Er zijn door verdachte geen andere mensen benoemd die binnen X een rol spelen en de onderneming wordt door hem als eenmanszaak gedreven. Naast verdachte is binnen X geen personeel in dienst. De facturen van X worden door verdachte of in opdracht van verdachte gemaakt. Vanuit X verricht verdachte werkzaamheden voor onder andere C. De betalingen van C voor de werkzaamheden die verdachte voor C verricht, worden tot en met februari 2001 overgemaakt op een girorekening van X. Op verzoek van X worden door C de rekeningen vanaf maart 2001 overgemaakt op bankrekening rekeningnummer 1. Naast voornoemde bankrekening, opent verdachte h/o X op 20 maart 2001 bij bank de bankrekening rekeningnummer 2.

Verdachte heeft in 1999 rechtspersoon 2 opgericht. Binnen rechtspersoon 2 i.o. houdt hij zich bezig met de automatisering van stockopties. De werkzaamheden van rechtspersoon 2 i.o zijn vanaf 28 mei 2001 ondergebracht in de onderneming rechtspersoon 4. Middels een statutenwijziging van rechtspersoon 4 is de statutaire naam op 5 juli 2001 gewijzigd in rechtspersoon 2. Verdachte staat vanaf 28 mei 2001 tot 21 juni 2002 als enig aandeelhouder en bestuurder van de onderneming rechtspersoon 2 ingeschreven. Hetgeen verdachte vanuit zijn werk in X verdient, stopt hij in rechtspersoon 2 om op – onder andere – deze wijze de investeringen in deze BV te kunnen financieren. Op 11 januari 2001 is door verdachte bij bank de bankrekening rekeningnummer 3 geopend. Voornoemde bankrekening staat op naam van rechtspersoon 2 i.o.

Met dagtekening 31 juli 2001 wordt een factuur met factuurnummer 001001, met daarop het logo van X, aan rechtspersoon 1 verstrekt, een vennootschap van F en G. Gefactureerd wordt een bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW). De factuur vermeldt: “Betreft: project” en als omschrijving van de door X verzorgde activiteiten het maken en aanpassen van diverse tekstvoorstellen voor een verkoopbrochure, het vertalen in het Duits van deze brochure en begeleidend schrijven en het begeleiden van diverse presentaties aangaande het project project.

Ondanks de omstandigheid dat F en G niet weten wie achter X zit en of de in de factuur vermelde werkzaamheden zijn verricht, neemt rechtspersoon 1 de factuur op in haar administratie onder project project en maakt op 31 juli 2001 – met als valutadatum 1 augustus 2001 – het factuurbedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) bij wijze van spoedopdracht over op de door verdachte op 20 maart 2001 nieuw geopende bankrekening met nummer rekeningnummer 2, conform het in de factuur genoemde rekening nummer. Dit betreft de eerste transactie op deze bankrekening. Naar aanleiding van een verzoek van verdachte van 2 augustus 2001 wordt op 3 augustus 2001 het bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) overgeboekt naar de door verdachte op 11 januari 2001 geopende bankrekening rekeningnummer 3. Deze bankrekening staat op naam van rechtspersoon 2.

Ten aanzien van de op naam van X verstuurde factuur is het volgende verklaard. Volgens de getuige D, destijds als makelaar betrokken bij de aankoop van het project project, bestond in het project project in zijn geheel geen verkoopbrochure. Deze getuige is niet bekend met het bedrijf X en weet ook niets van de werkzaamheden die op de factuur staan vermeld. De getuige E, destijds vanuit C betrokken bij het project project, heeft verklaard dat hij X niet kent. De factuur kent hij ook niet. Verdachte heeft verklaard dat hij zich de factuur niet kan herinneren. Ook de op de factuur beschreven werkzaamheden, evenals het project project kan hij zich niet herinneren. Op de vraag of het klopt dat X op 1 augustus 2001 een bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) van rechtspersoon 1 heeft ontvangen, antwoordt verdachte dat hij zich deze betaling niet kan herinneren.

Beoordeling Rechtbank

De vraag in onderhavige zaak is of uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de persoon is geweest die de factuur valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De raadsman heeft ter zitting voor het eerst naar voren gebracht dat het aannemelijk is dat het A is geweest die de onderhavige factuur zou kunnen hebben opgesteld. Volgens de raadsman zou uit het dossier blijken dat A de financiële administratie voor X verzorgde.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor de juistheid van deze aanname. Verdachte heeft niet verklaard dat A de financiën van X verzorgde. Hij heeft verklaard dat hij niemand in loondienst had en dat er geen andere mensen te noemen zijn die een rol hebben gespeeld binnen X. Verder heeft verdachte slechts aangegeven dat A voor rechtspersoon 2 de financiële administratie verzorgde. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen, zodat hij over het door de raadsman geschetste scenario niet nader bevraagd kon worden. Ook overigens zijn voor de aanname van de raadsman onvoldoende aanknopingspunten te vinden in het dossier. Het feit dat A zich schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen van facturen en deze factuur van X aan F en G zou hebben overhandigd, doet hier niet aan af.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij al het geld dat hij met X heeft verdiend, in rechtspersoon 2 heeft gestoken. Dit maakt het volgens de rechtbank des te aannemelijker dat het verdachte is geweest die op 3 augustus 2001 het bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) van de alleen voor hem toegankelijke bankrekening van X heeft overgeboekt naar de door hem nieuw geopende bankrekening van rechtspersoon 2. Dit gebeurde zeer kort na ontvangst van de bij wijze van spoedopdracht overgemaakte betaling van de factuur.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte, als verantwoordelijke voor X, zich van de storting en overboeking van de ƒ 238.000,- (inclusief BTW) niets kan herinneren, met name nu het een aanzienlijk bedrag betreft.

De rechtbank stelt op grond van voornoemde feiten en omstandigheden vast, dat het niet anders kan dan dat het verdachte is geweest die de factuur valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Samenvattend heeft de rechtbank daarbij het volgende in overweging genomen:

  • X werd door verdachte gedreven en volgens zijn eigen verklaring heeft geen andere persoon een rol gespeeld binnen die onderneming;
  • verdachte was volgens zijn eigen verklaring de persoon die de facturen van X opmaakte, dan wel liet opmaken;
  • de factuur bevat het logo en het KvK-nummer van X en vermeldt het nummer van de door de verdachte op 20 maart 2001 nieuw geopende bankrekening rekeningnummer 2, waarop nog niet eerder stortingen door derden waren verricht, zodat dit rekening nummer niet uit dien hoofde bij anderen bekend was;
  • het gefactureerde bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) is op 1 augustus 2001 door middel van een telefonische overboeking op deze rekening gestort;
  • het bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) is op 3 augustus 2001 naar aanleiding van een verzoek van verdachte van 2 augustus 2001 naar een door verdachte geopende bankrekening rekeningnummer 3 van een bedrijf waarin hij een belang had, overgeboekt;
  • verdachte verklaart dat hij zich van deze transacties helemaal niets weet te herinneren;
  • niet is gebleken dat iemand anders dan verdachte de factuur heeft opgemaakt.

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie en met de raadsman, van oordeel dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat ten aanzien van het valselijk opmaken van deze factuur, sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank acht daarom medeplegen niet bewezen.

Strafoplegging

Hoewel het bewezen verklaarde slechts één door verdachte vals opgemaakte factuur omvat, moet dit naar het oordeel van de rechtbank wel worden bezien in het licht van de bouwfraude, waarbij veelvuldig gebruik is gemaakt van valse facturen zoals de onderhavige. De rechtbank zoekt dan ook bij de straftoemeting aansluiting bij straffen opgelegd aan andere verdachten op vergelijkbare wijze betrokken bij deze affaire.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat het feit in het jaar 2001 is gepleegd, inmiddels meer dan 12 jaar geleden.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF