In nadere bewijsoverwegingen genoemde f&o

Hoge Raad 13 november 2012, LJN BY0051 Feiten

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 24 februari 2011 van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en haar voor het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd (feit 1) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

Middel

Het middel klaagt dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen: "Verdachte en haar partner, medeverdachte 1, kennen elkaar al geruime tijd, woonden destijds samen en hebben samen een kind. Verdachte kent de familie van medeverdachte 1, dus ook enkele medeverdachten, bijzonder goed. Het kan niet anders dan dat zij in de loop van al die jaren heeft geconstateerd dat de legale inkomsten van medeverdachte 1 niet in verhouding stonden tot de regelmatige, soms bijzonder forse uitgaven aan bijvoorbeeld luxe vermogensbestanddelen en reizen, waarvan zij deelgenoot was. Verder moet verdachte op de hoogte zijn geweest van de criminele aard van de activiteiten van haar partner nu die kennelijk niet in het openbaar konden worden afgewikkeld en er - zoals uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt (in het dossier aanwezig, ook met verdachte) - in versluierde en soms ronduit geheimzinnige taal werd gesproken.

Gelet op deze feiten en omstandigheden en gezien het ontbreken van (voldoende) legale inkomsten van verdachte zelf komt het hof tot het oordeel dat verdachte wist van de criminele herkomst van de contante bedragen zodat het aanschaffen en vervolgens het gebruik van de daarmee aangeschafte goederen witwassen oplevert.

De door de raadsman aangedragen stelling dat een deel van de kosten door de verdachte zelf met geld van haar ouders betaald zou zijn mist voldoende feitelijke onderbouwing. De door de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen (ouders Hehl) en de door de raadsman over gelegde stukken overtuigen op dit punt niet tegen over de andersluidend de verklaringen van betrokkene 11 van 9 oktober 2007 (blz. 000997 en 000998), betrokkene 10 van 9 oktober 2007 (blz. 001001) betrokkene 12 (blz. 001004 e.v.) van 12 februari 2008 en medeverdachte 1van 16 maart 2009. De overgelegde bankafschriften behelzen niet de periode waarop het ten laste gelegde betrekking heeft."

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

  1. die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en
  2. het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008/70).

Het Hof heeft verzuimd in zijn hiervoor weergegeven overwegingen met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het heeft ontleend dat:

  • de legale inkomsten van verdachtes mededader niet in verhouding stonden tot de door het Hof genoemde "regelmatige, soms bijzonder forse uitgaven aan bijvoorbeeld luxe vermogensbestanddelen";
  • de verdachte zelf niet over "(voldoende) legale inkomsten" beschikte.

Voor zover het middel daarover klaagt is het gegrond.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF