De bewijsvoering bevat voldoende gegevens ter nadere motivering van het niet aanvaarden van het uos

Hoge Raad 13 november 2012, LJN BX9572 Feiten

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor

  1. medeplegen van gewoontewitwassen en
  2. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Middel

Het middel klaagt blijkens zijn toelichting onder meer dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt omtrent de ontoereikendheid van het bewijs ter zake van het medeplegen van witwassen ten aanzien van de woningen, gelegen aan de [a-straat 1 respectievelijk 2] te Zandvoort (feit 1).

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde witwassen voor zover het betreft de woningen gelegen aan de a-straat 1 respectievelijk 2 te Zandvoort. Noch uit het middel noch uit de overige stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt blijkt dat de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van beroep in cassatie tegen deze vrijspraak. Dit brengt mee dat de verdachte ten aanzien van deze klacht niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep, zodat het middel in zoverre onbesproken moet blijven.

Voorts heeft het middel betrekking op het in de woning aan de a-straat 1 te Zandvoort aangetroffen geldbedrag.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 3 juli 2007 te Amsterdam en Zandvoort en Velsen-Noord, gemeente Velsen en Haarlem en Rotterdam, en/of elders in Nederland en in Spanje en in Frankrijk en in Luxemburg en/of in Gibraltar, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en verdachtes mededaders telkens van onderstaande voorwerpen, de werkelijke aard en herkomst en/of vindplaats verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en verborgen wie de rechthebbende op die voorwerpen is en onderstaande voorwerpen verworven en voorhanden gehad en/of omgezet of van genoemde voorwerpen gebruikgemaakt, te weten (...) [zd A39] - een of meer geldbedragen van in totaal EURO 44.240,- (...) terwijl verdachte en verdachtes mededaders telkens wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities. Deze houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"A-38 [a-straat 1] (...) In derde en laatste plaats is niets van enige betrokkenheid van cliënt gebleken. In eerste aanleg is vrij veel aandacht besteed aan de vraag of cliënt zou hebben samengewoond met medeverdachte 9. Bij requisitoir heeft de officier van justitie hierover gezegd dat het van belang is of twee ex-echtelieden financieel aan elkaar verknocht zijn, of zij samen inkomen of bezit hebben. Als cliënt nu verdachte was geweest in een bijstandsfraudezaak, had de officier hiermee wel degelijk een relevant punt gehad. Maar dit is geen bijstandsfraudezaak, dit is een witwaszaak en dat betekent dat de officier van justitie het wettig en overtuigend bewijs moet leveren op basis waarvan cliënt moet worden beschouwd als medepleger (ex van artikel 47 Sr.) van het witwassen van de aan medeverdachte 9 toebehorende woning aan de a-straat 1. Daarin is hij niet geslaagd, al was het alleen al omdat er geen enkele aanwijzing is voor de daartoe vereiste bewuste en nauwe samenwerking. (...) A-39 Geld [a-straat 1] te Zandvoort Ten aanzien van deze zaak wens ik hetzelfde verweer te voeren als hiervoor onder A-38 (...)"

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte met zijn ex-partner op het adres a-straat 1 te Zandvoort samenwoonde, dat het aldaar aangetroffen geld niet uit legale inkomsten van de ex-partner afkomstig kan zijn en dat de verdachte over de aanwezigheid van dat geld geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd. Op grond daarvan heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het een gewoonte maken van witwassen. Aldus bevat de uitspraak voldoende gegevens waarin de nadere motivering ligt besloten aangaande het niet aanvaarden door het Hof van het eerder weergegeven standpunt (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393, rov. 3.8.2 sub (i)).

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

Lees hier het volledige arrest.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF