Consultatierecht & niet-aangehouden verdachte

Gerechtshof Amsterdam 29 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:473

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte de gelegenheid had moeten worden geboden om de bijstand van een raadsman te hebben tijdens het eerste politieverhoor. De raadsman wijst in dit verband op de conclusie van advocaat-generaal Spronken bij het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2013 (ECLI NL PHHR 2013:1424). Onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Navone, Lafleur en Re tegen Monaco en de Richtlijn betreffende het recht op toegang tot een advocaat, concludeert advocaat-generaal Spronken dat het recht op rechtsbijstand volgens het EHRM ook bijstand tijdens de verhoren impliceert. Nu dit niet is gebeurd levert dit een vormverzuim op in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit dient te leiden tot uitsluiting van de verklaring van de verdachte van het bewijs. Na bewijsuitsluiting is sprake van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en derhalve dient de verdachte daarvan te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat ingevolge de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad slechts het recht op consultatie van een advocaat bestaat in geval een verdachte is aangehouden. Van een verdergaand recht op bijstand van een advocaat tijdens een politieverhoor is vooralsnog geen sprake.

Nu de verdachte in deze zaak niet was aangehouden, is hij in de gelegenheid geweest een advocaat te consulteren voorafgaande aan zijn politieverhoor. Van een verdachte mag op dat punt eigen initiatief worden verwacht. Volgens advocaat-generaal dient het verweer daarom te worden verworpen.

Het hof overweegt als volgt.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad kan een verdachte, die door de politie is aangehouden, ingevolge de rechtspraak van het EHRM aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) een aanspraak op rechtsbijstand ontlenen, die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden omvoorafgaand aan het verhoor door de politie een advocaat te raadplegen (Hoge Raad d.d.30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349) LJN BH3079NJ 2009/349. In zijn arrest van 9 november 2010 (LJN BN7727, NJ 2010/615) heeft de Hoge Raad overwogen dat die regel niet zonder meer geldt, indien het gaat om een niet-aangehouden verdachte. Tot op heden volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat uit de rechtspraak van het EHRM niet kan worden afgeleid dat de aangehouden verdachte aan artikel 6 van het EVRM ook het recht kan ontlenen op de aanwezigheid van een advocaat tijdens het politieverhoor. Het laatste dient ook in het geval van een niet-aangehouden verdachte te worden aangenomen.

In de zaak Navone, Lafleur en Re tegen Moncao heeft het EHRM weliswaar een schending vastgesteld van het recht op rechtsbijstand tijdens een politieverhoor, maar in die zaak was sprake van een ‘garde à vue’(politiedetentie) en derhalve van een aangehouden verdachte.

In de onderhavige zaak heeft de verdachte zich op verzoek van de politie gemeld op het politiebureau, enige tijd nadat de politie – na verbreking van het slot van de toegangsdeur van de woning in het kader van het binnentreden – de woning van de verdachte had doen afsluiten met een nieuw slot. De verdachte is voorafgaand aan het politieverhoor niet aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Zoals de advocaat-generaal terecht heeft betoogd is de verdachte aldus in de gelegenheid geweest om voorafgaand aan zijn melding op het politiebureau en zijn verhoor een advocaat te consulteren. Het hof is van oordeel dat uit de uitspraak in de zaak Navone, Lafleur en Re tegen Monaco, niet kan worden opgemaakt dat op grond van artikel 6 van het EVRM ook in z’n algemeenheid een recht op bijstand van een advocaat tijdens een politieverhoor bestaat.

Voorts heeft de raadsman een beroep gedaan op de Europese Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, hierna de ‘Richtlijn betreffende het recht op toegang tot een advocaat’. De Richtlijn betreffende het recht op toegang tot een advocaat is weliswaar op 22 oktober 2013 door het Europese Parlement aanvaard en de implementatie daarvan dient vóór 28 november 2016 plaats te hebben gevonden. Aangezien de Richtlijn geen rechtstreekse werking heeft en thans nog niet in de nationale wetgeving is geimplementeerd, kunnen door de verdachte daaraan geen rechten worden ontleend.

Samenvattend komt het hof tot het oordeel dat het door de raadsman ingenomen standpunt dat de ten tijde van zijn eerste politieverhoor niet-aangehouden verdachte recht heeft op rechtsbijstand voorafgaand en tijdens zijn verhoor, geen steun vindt in het recht.

Het verweer van de raadsman tot uitsluiting van de verklaring van de verdachte wegens een vormverzuim wordt derhalve verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF