In bezit van valse reisdocumenten: Verwerping verweer dat identiteitsbewijs moet worden uitgesloten van bewijs, aangezien geen aanleiding bestond deze ter inzage te vragen

Rechtbank Midden-Nederland 12 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1354

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  1. op 12 januari 2014 in het bezit was van een valse identiteitskaart;
  2. op 12 januari 2014 gebruik heeft gemaakt van een vals rijbewijs.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat er geen aanleiding was om naar het rijbewijs en het identiteitsbewijs van verdachte te vragen, zodat de bevoegdheid hiertoe ontbrak. Het in beslag genomen rijbewijs en de identiteitskaart van verdachte moeten worden uitgesloten van het bewijs en verdachte moet worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 22 oktober 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:16090).

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat in elk geval de identiteitskaart onbevoegd door de politie is verkregen en om die reden moet worden uitgesloten van het bewijs. Verder moet ook de bekennende verklaring van verdachte worden uitgesloten, omdat dit een verboden vrucht is van voornoemde onrechtmatige inbeslagname. Ook het verhoor van verdachte bij de vreemdelingenpolitie, d.d. 10 februari 2014, moet van het bewijs worden uitgesloten, aangezien verdachte toen niet de cautie heeft gekregen. Wegens het ontbreken van wettig bewijs zal vrijspraak moeten volgen.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, aangezien de rechten van verdachte zijn geschonden, in elk geval strafvermindering moet volgen. Gelet op het feit dat de officier van justitie 10 weken gevangenisstraf heeft geëist en verdachte op dit moment al 58 dagen in voorlopige hechtenis zit, zal hij onmiddellijk in vrijheid moeten worden gesteld.

Oordeel van de rechtbank


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Op 12 januari 2014 wordt door verbalisant op de A2, in Breukelen, Stichtse Vecht, aan verdachte, die als bijrijder in een auto zit, gevraagd om inzage in zijn rijbewijs. De identiteitskaart van verdachte, nummer, evenals het rijbewijs, nummer (de rechtbank begrijpt: nummer) verbalisant, worden in beslag genomen.

Op 12 januari 2014 wordt een nationale identiteitskaart, afkomstig uit Roemenië, voorzien van nummer en ten name van naam, geboren op 1980­2te geboorteplaats 2 (Roemenië), onderzocht door een documentdeskundige.3 Door voornoemde deskundige wordt geconcludeerd dat het document vals is. Verder is onderzoek gedaan naar een nationaal rijbewijs, afkomstig uit Roemenië, voorzien van het nummer, ten name van naam, geboren op 1980­2te geboorteplaats 2. Dit document heeft de volgende kenmerken:

  • het hele onderzochte document is een nabootsing van een echt document van dit model;
  • in tegenstelling tot een origineel exemplaar, waarbij de bedrukking van het basismateriaal is uitgevoerd middels verschillende druktechnieken, is het bij dit document aangebracht middels een printtechniek;
  • de UV­beveiliging op de voorzijde van het rijbewijs verschilt sterk wat betreft kleur en detaillering ten opzichte van de UV­beveiliging van een origineel exemplaar;
  • het formaat van het onderzochte rijbewijs wijkt af van het formaat van een origineel exemplaar. Door voornoemde deskundige wordt geconcludeerd dat dit rijbewijs vals is.

Op 17 januari 2014 heeft verdachte verklaard dat de identiteitspapieren die hij bij zich had en aan de politie heeft laten zien vals zijn. Verdachte heeft verklaard dat zijn echte naam verdachte is en dat hij geboren is op 1980.5

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft betoogd dat er voor de verbalisant geen aanleiding bestond inzage te vragen in het rijbewijs en het identiteitsbewijs van verdachte en dat deze documenten om die reden moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. Door de verbalisant is bij de controle van een personenauto geconstateerd dat de bestuurder niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Toen verdachte aangaf verder te willen rijden, heeft de verbalisant hem inzage gevraagd in een geldig rijbewijs. De rechtbank is van oordeel dat hiervoor op dat moment voldoende aanleiding bestond en de verbalisant bevoegd was deze inzage van verdachte te vragen.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verbalisant geen reden had ook inzage te vragen in het identiteitsbewijs van verdachte. Dit hoeft echter naar het oordeel van de rechtbank niet te leiden tot bewijsuitsluiting. Bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. De schending in de onderhavige zaak, bestaande hierin dat verdachte door het afgeven van zijn identiteitskaart zijn identiteit kenbaar moest maken, is naar het oordeel van de rechtbank slechts een beperkte schending. Bovendien heeft verdachte door het afgeven van zijn identiteitskaart geen nadeel ondervonden. Het door de raadsman aangevoerde nadeel, te weten dat de valsheid van verdachtes reisdocument hierdoor is ontdekt, is geen nadeel waarmee de rechtbank rekening dient te houden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank volstaan met de constatering dat dit vormverzuim is begaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voorafgaand aan zijn verklaring op 17 januari 2014 wel de cautie heeft gehad. Het verweer van de raadsman dat verdachte op 10 februari 2014 niet de cautie heeft gekregen, behoeft dan ook geen verdere bespreking.

Bewezenverklaring

  1. in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is;
  2. opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF