Bruggenbouw met steekpenningen: omkoping van Sint Maartense minister bestraft

Rechtbank Overijssel 19 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:857, ECLI:NL:RBOVE:2026:858 en ECLI:NL:RBOVE:2026:860

De rechtbank veroordeelt twee vennootschappen en hun bestuurder wegens ambtelijke omkoping bij de aanbesteding van de Simpson Bay Causeway Bridge op Sint Maarten, waarbij via een consultancyconstructie betalingen worden gedaan aan de minister van VROMI. De minister heeft feitelijk beslissende invloed op de gunning en ontvangt via een lokale agent een deel van diens fee, waarvan 83.000 daadwerkelijk contant wordt betaald. De rechtbank oordeelt dat de consultancyovereenkomst slechts dient om de betalingen boekhoudkundig te rechtvaardigen en dat de vennootschappen wetenschap hebben van de doorbetaling aan de minister. De verweren over de betrouwbaarheid van de kroongetuige, het ontbreken van bevoegdheid van de minister en het ontbreken van opzet worden verworpen. De rechtspersonen worden ieder veroordeeld tot een geldboete van 240.000, mede wegens overschrijding van de redelijke termijn gematigd. De bestuurder wordt vrijgesproken van medeplegen maar veroordeeld wegens feitelijke leidinggeven tot een geldboete van 30.000.

Context van de zaak

In deze samenhangende strafzaken staat de aanbesteding en gunning van de bouw van de Simpson Bay Causeway Bridge op Sint Maarten centraal. De rechtbank Overijssel oordeelt op 19 februari 2026 in drie afzonderlijke vonnissen over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van twee rechtspersonen en hun bestuurder. Het betreft ECLI:NL:RBOVE:2026:857, ECLI:NL:RBOVE:2026:858 en ECLI:NL:RBOVE:2026:860

De kern van de zaak is dat bij de aanbesteding van een grootschalig infrastructuurproject op Sint Maarten – een brug over de Simpson Bay Lagoon – een minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur wordt omgekocht via een consultancyconstructie met een lokale tussenpersoon.

De betrokken rechtspersonen zijn twee vennootschappen die deel uitmaken van hetzelfde concern. De ene vennootschap fungeert als werkmaatschappij, de andere als handelsentiteit. Operationeel bestaat tussen beide geen onderscheid. De bestuurder van de werkmaatschappij is tevens operationeel en commercieel verantwoordelijk binnen beide vennootschappen.

De minister op Sint Maarten is in de relevante periode eerst commissioner en vervolgens vicepremier en minister van VROMI. In die hoedanigheid is hij vertegenwoordiger van de aandeelhouder binnen de entiteit die verantwoordelijk is voor de aanbesteding, te weten de Simpson Bay Lagoon Authority Co., die later onder de Havenholding wordt gebracht. De minister initieert in 2009 mede dat deze entiteit onder zijn portefeuille komt te vallen, waardoor zijn feitelijke invloed op het aanbestedingsproces toeneemt.

Reeds in aanloop naar de verkiezingen in 2010 doet de minister de politieke belofte dat de brug zal worden gebouwd. Hij stuurt aan op een beperkte aanbesteding, waarbij een selecte groep aannemers wordt uitgenodigd. Binnen de betrokken vennootschappen is men zich ervan bewust dat het ontwerp en de presentatie van de brug in de smaak van de minister moeten vallen. Uit interne e-mails blijkt dat zijn voorkeur een “important factor” vormt.

De aanbesteding kent formeel een gestructureerde procedure met technische, financiële en juridische teams en een puntensysteem. De rechtbank stelt echter vast dat naast dit formele circuit een informeel circuit bestaat, waarin de minister feitelijk doorslaggevende invloed uitoefent. Er “gebeurt niets zonder zijn goedkeuring”. Hij wordt rechtstreeks via zijn privé e-mailadres geïnformeerd en levert input, onder meer bij de samenstelling van de vereiste local content.

In dit kader wordt een consultancyovereenkomst gesloten met een op Sint Maarten opererende agent, die via zijn Panamese offshorevennootschap factureert. Deze agent heeft sinds 2005 een afspraak met de minister: bij projecten boven een miljoen dollar ontvangt de minister een deel van de fee van de agent indien het door hem vertegenwoordigde bedrijf de opdracht krijgt. In het onderhavige project bedraagt de fee aanvankelijk 3% van de aanneemsom, later verlaagd naar 2,5%. Een substantieel deel daarvan is bestemd voor de minister.

Na gunning van het contract betaalt de agent in totaal 1.065.524,25 aan consultancyfees. Van dat bedrag betaalt hij in totaal 83.000 in contanten door aan de minister. De totale constructie is verdisconteerd in de aanneemsom, waardoor de kosten feitelijk bij de overheid van Sint Maarten en daarmee bij de bevolking terechtkomen.

Tenlastelegging

De rechtspersonen wordt verweten dat zij in de periode van 16 november 2009 tot en met 11 maart 2014, tezamen en in vereniging met anderen, een buitenlandse ambtenaar giften en een belofte hebben gedaan met het oogmerk hem te bewegen in strijd met zijn plicht het overheidscontract te gunnen. Tevens wordt verweten dat zij 83.000 hebben betaald ten gevolge of naar aanleiding van de in strijd met de plicht verrichte gunning.

De bestuurder wordt primair verweten dat hij zelf medepleger is van ambtelijke omkoping, subsidiair dat hij opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de door de rechtspersonen gepleegde omkoping.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht bewezen dat de rechtspersonen zich schuldig hebben gemaakt aan ambtelijke omkoping en vordert per rechtspersoon een geldboete van 525.000. Ten aanzien van de bestuurder vordert het Openbaar Ministerie bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde en een geldboete van 17.500.

Standpunt van de verdediging

Namens de rechtspersonen wordt vrijspraak bepleit. De verdediging voert aan dat de verklaringen van de agent, die als kroongetuige optreedt, onbetrouwbaar zijn. Hij zou belang hebben bij belastende verklaringen vanwege zijn deal met het Openbaar Ministerie en vanwege een anticorruptieclausule in zijn consultancyovereenkomst. Ook de verklaringen van een andere getuige worden betwist.

Verder wordt aangevoerd dat de minister formeel niet bevoegd is tot het nemen van de gunningsbeslissing en dat de aanbesteding conform de regels is verlopen. Er zou geen causaal verband bestaan tussen eventuele betalingen en de gunning, nu de rechtspersonen op basis van hun score hebben gewonnen. Ten slotte wordt betoogd dat de betalingen van de agent niet aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend.

De bestuurder voert aanvullend aan dat hij geen feitelijke leiding heeft gegeven. Hij wijst op de opgenomen anticorruptieclausule en stelt dat hij de nodige maatregelen heeft genomen om omkoping te voorkomen. Hij ontkent wetenschap van de doorbetalingen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt de betrouwbaarheidverweren. De verklaringen van de kroongetuige zijn consistent, vinden steun in andere verklaringen en zijn door de rechter-commissaris als betrouwbaar aangemerkt. Dat hij als kroongetuige optreedt, noopt tot behoedzaamheid, maar sluit gebruik voor het bewijs niet uit.

Ten aanzien van de rol van de minister overweegt de rechtbank dat voor toepassing van artikel 177 Sr niet vereist is dat de ambtenaar formeel bevoegd is, maar dat zijn functie hem in staat stelt de verlangde handeling te verrichten. De rechtbank stelt vast dat de minister feitelijk de gunningsbeslissing bepaalt. Hij handelt in strijd met zijn plicht door zijn invloed aan te wenden voor persoonlijke bevoordeling.

Wat betreft de wetenschap van de rechtspersonen overweegt de rechtbank dat de consultancyovereenkomst pas wordt ondertekend op het moment dat de gunning reeds is verkregen. Er is nauwelijks bewijs van daadwerkelijke werkzaamheden. Er is geen integriteitsonderzoek verricht naar de agent of diens offshorevennootschap. Gelet op de omstandigheden kan het volgens de rechtbank niet anders dan dat de rechtspersonen weten dat een deel van de fee wordt doorbetaald aan de minister. De overeenkomst dient slechts ter boekhoudkundige rechtvaardiging.

De betalingen zijn dienstig aan de rechtspersonen geweest, nu zij de opdracht verkrijgen. De gedragingen vinden plaats in de sfeer van de rechtspersoon en worden aan haar toegerekend. Van medeplegen met de agent is sprake.

Ten aanzien van de bestuurder spreekt de rechtbank hem vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen, maar acht zij bewezen dat hij feitelijke leiding geeft. Hij ondertekent de overeenkomst, verricht geen integriteitsonderzoek en controleert de werkzaamheden niet, terwijl hij zich bewust is van corruptierisico’s. Daarmee aanvaardt hij bewust de aanmerkelijke kans dat de fee wordt aangewend voor omkoping.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de rechtspersonen tezamen en in vereniging met de agent een geldbedrag hebben beloofd en 83.000 hebben betaald aan de minister met het oogmerk hem in strijd met zijn plicht het contract te laten gunnen.

Ten aanzien van de bestuurder verklaart de rechtbank bewezen dat hij feitelijke leiding geeft aan deze gedragingen.

Strafoplegging

Aan elk van de rechtspersonen wordt een geldboete van 240.000 opgelegd. De rechtbank acht een uitgangspunt van 250.000 passend, maar vermindert dit bedrag met 10.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn wordt met vier jaar overschreden, mede gelet op de complexiteit en het overzeese karakter van de zaak.

De rechtbank benadrukt dat de kosten van de omkoping zijn verdisconteerd in de aanneemsom en daarmee feitelijk zijn afgewenteld op de overheid en de bevolking van Sint Maarten. De feiten schaden het vertrouwen in het openbaar bestuur en vervalsen de concurrentieverhoudingen.

Aan de bestuurder wordt een geldboete van 30.000 opgelegd. De rechtbank acht in beginsel een taakstraf passend, maar ziet wegens overschrijding van de redelijke termijn af van oplegging daarvan. Als directeur rust op hem een zwaardere verantwoordelijkheid dan op andere betrokken functionarissen die eerder via een strafbeschikking zijn afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^