Bewezenverklaring bezit kinderporno. Schuldig zonder oplegging van straf i.v.m. omstandigheden die zich na het strafbare feit hebben voorgedaan, waaronder overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank 's-Hertogenbosch 30 juli 2012, LJN BX2902

 

De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in de periode van 1 mei 2007 t/m 29 april 2008, gegevensdragers, te weten een notebook en een computer en harde schijven en een pocket computer, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke afbeeldingen telkens personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt, waren betrokken of schijnbaar waren betrokken, telkens in bezit heeft gehad, te weten (digitale) afbeeldingen/foto's/films van naakte en/of deels naakte personen die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt en die een seksuele gedraging met zichzelf en/of een of meer andere perso(o)n(en) verrichten en/of laten verrichten, en/of die op zodanige wijze poseren en/of zijn afgebeeld, dat hun ontblote geslachtsdelen nadrukkelijk en/of uitdagend in beeld zijn gebracht, en/of die op zodanige wijze poseren en/of zijn afgebeeld, dat dit kennelijk is bedoeld om seksuele prikkeling op te wekken (art. 240b Sr).

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten ernstige feiten betreffen. Toch acht de rechtbank het raadzaam dat, gelet op art. 9a Sr geen straf zal worden opgelegd. De rechtbank houdt daarbij in hoge mate rekening met de omstandigheden die zich na het bewezen verklaarde hebben voorgedaan: er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Tussen de inverzekeringstelling en de uiteindelijke berechting is een periode van ongeveer 3 jaar en 9 maanden gelegen. Verdachte heeft gedurende voornoemde periode tweewekelijks een verplicht reclasseringscontact gehad. Bovendien zijn de onderzoeksvragen van de raadsman niet op een adequate wijze afgedaan. Verdachte lijkt zijn leven goed op de rit te hebben. Na de voorlopige hechtenis heeft hij zijn baan verloren, maar inmiddels is hij alweer geruime tijd aan het werk als vrachtwagenchauffeur. In beginsel leidt een overschrijding van de redelijke termijn tot strafvermindering. Gelet op deze omstandigheden die zich na het strafbare feit hebben voorgedaan, is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak met toepassing van art. 9a Sr geen straf behoort te worden opgelegd.
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF