Salduz-verweer gehonoreerd: bewijsuitsluiting. Verdachte wordt bij gebrek aan bewijs vrijgesproken.

Rechtbank Maastricht 3 augustus 2012, LJN BX3554
Ten laste van verdachte is gelegd het plegen van een drietal overvallen.

Verdachte heeft tijdens zijn voorlopige hechtenis in Duitsland een bekennende verklaring afgelegd ten overstaan van Nederlandse opsporingsambtenaren (met instemming van de Duitse autoriteiten). De raadsman heeft aangevoerd dat deze verklaring dient te worden uitgesloten van het bewijs wegens schending van de Salduz-jurisprudentie. De raadsman heeft aangevoerd dat de Nederlandse rechtsregels op dat verhoor van toepassing zijn, nu verdachte is gehoord over in Nederland gepleegde feiten door Nederlandse opsporingsambtenaren. Niet is gebleken dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om voorafgaand aan zijn eerste verhoor een raadsman te consulteren.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat dit verhoor heeft plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten en dat dat betekent dat de opsporingsambtenaren de Nederlandse rechtsregels dienden toe te passen. Zij verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad uit 2011: HR 5 oktober 2010 NJ 2011, 169 m.nt. Schalken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op het raadplegen van een advocaat. Verdachte heeft tijdens het verhoor verschillende keren aangegeven dat hij zijn advocaat wilde spreken dan wel dat hij een Nederlandse advocaat wilde spreken en dat hij op verdere vragen niet wilde ingaan. Verbalisanten hebben het verhoor hierop niet onderbroken, maar zijn telkens op verdachte blijven inpraten over zijn moeder en zijn zusje, de slachtoffers, het feit dat verdachte vastzit en niet zijn advocaat, dat zijn advocaat toch gaat zeggen dat verdachte zijn mond moet houden, over het feit dat de straffen in Duitsland (voor zover bekend bij verbalisanten) hoger zijn dan in Nederland, dat het voor de rechter prettiger is als verdachte een verklaring heeft afgelegd en dat er (zwaar) bewijs ligt tegen verdachte. Dat verdachte op enig moment heeft toegestaan dat verbalisanten verder gingen met hun vragen, kan gelet hierop niet gelden als een ondubbelzinnig afstand doen van zijn recht op het raadplegen van een advocaat.

Onder verwijzing naar de Salduz-jurisprudentie beslist de rechtbank dat de verklaring van verdachte niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

·         De Hoge Raad heeft in zijn Salduz-jurisprudentie bepaald dat, indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dit in beginsel een vormverzuim oplevert als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel – behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken – dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

·         De Hoge Raad heeft recent (HR 3 juli 2012, LJN: BW9264) geoordeeld dat een uit anderen hoofde gedetineerde verdachte ten aanzien van wie de verdenking is gerezen van een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zich in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevindt.

·         Uit genoemde jurisprudentie volgt dat een dergelijk vormverzuim – behoudens de twee hiervoor genoemde uitzonderingen – dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF