Beklagzaak

Hoge Raad 4 september 2012, LJN BX4278

Feiten
Klager wordt verdachte van is betrokkenheid bij heling. Bij een huiszoeking zijn er diverse goederen in beslag genomen; een gouden ketting, een fototoestel, een laptop, sieraden in een DVD-hoesje en geldbedragen van € 2.550,- en € 1.500,-. Gedurende het onderzoek heeft klager zich beroept op het zwijgrecht.

De raadsman van de klager heeft aangevoerd dat belanghebbende heeft verklaard heeft dat het bedrag van € 2.500,- en de sieraden in het dvd-hoesje van haar zijn. Daarbij verzet zij zich niet tegen teruggave aan klager. Volgens de raadsman blijkt uit niets dat de goederen uit misdaad afkomstig zijn.

De rechtbank heeft het klaagschrift van klager ongegrond verklaard, omdat volgens de rechtbank niet is vast komen te staan dat de bedoelde goederen aan klager in eigendom toebehoren.

Er zijn aanwijzingen dat de goederen in het klaagschrift in verband staan met enig strafbaar feit. Daarom acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter de goederen verbeurd zal verklaren of teruggave aan een ander dan de klager zal gelasten. Het belang van de strafvordering verzet zich tegen opheffing van het beslag, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.

Het middel

Het middel richt zich tegen de ongegrondverklaring van het beklag door de Rechtbank, omdat er een onjuiste maatstaf zou zijn toegepast door te oordelen dat niet is vast komen te staan dat de goederen aan klager in eigendom toebehoren.

Oordeel HR

De rechter dient te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo nee, of de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelast dient te worden aan de beslagene, tenzij een ander als rederlijkerwijs rechthebbende moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het bijvoorbeeld niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen (vgl. HR 28 september 2010, LJN: BL2823).
 
Voor zover de Rechtbank heeft geoordeeld dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen goederen verbeurd zal verklaren, is haar oordeel, mede gelet op hetgeen door de raadsman van de klager in raadkamer is aangevoerd, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.
 
Conclusie AG Knigge

De rechtbank heeft haar beslissing genomen op de overweging dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet. De overweging dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat bij nieuwe vervolging de rechter de goederen verbeurd zal verklaren, is onbegrijpelijk. Ten eerste omdat door de raadsman gesteld is dat de OvJ niet heeft aangevoerd dat de nieuwe dagvaarding betrekking heeft op deze goederen. Ten tweede komt verbeurdverklaring van geheelde goederen snel in strijd met de wettelijke regeling van verbeurdverklaring. Heling houdt namelijk in dat de goederen niet aan klager toekomen, waardoor verbeurdverklaring niet mogelijk is.

Hoofdregel is dat de inbeslaggenomen goederen terug moeten worden gegeven aan beslagene. Dit is alleen anders indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Uit het feit dat een groot aantal goederen uit heling afkomstig zijn, volgt niet dat het aannemelijk is dat de goederen uit het klaagschrift aan een ander toebehoren.

Het middel is gegrond.

Door Annoeska Rubbens
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF