Art. 591a Sv toegepast hoewel t.t.v. werkzaamheden nog geen sprake was van een strafzaak (wel aangifte)

Rechtbank Noord-Holland 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:8587

Uit het dossier blijkt dat verzoeker op 12 september 2016 na initiatief daartoe van zijn raadsman is gehoord door de politie. De zaak is op 3 april 2017 geseponeerd.

Uit de bij het verzoekschrift gevoegde urenspecificatie van de raadsman blijkt dat in de periode van 13 september 2016 tot en met 28 april 2017 door de raadsman 257 minuten aan de zaak is besteed. De tijdbesteding bestaat onder meer uit studie dossier, op 24 maart 2017 40 minuten en op 3 april 2017 65 minuten. Verder gaat het om overleg cliënt en inkomende en uitgaande correspondentie.

De raadsman van verzoeker heeft in raadkamer toegelicht dat er na het verhoor door de politie niets meer werd vernomen van justitie. Gezien de aard van de zaak en de overige omstandigheden had verzoeker veel last van het voortslepen van de zaak. Verzoeker nam in die tijd veelvuldig contact op met de raadsman, ook omdat hij door de vader van het vermeende slachtoffer zou zijn bedreigd en daarvan zelf aangifte heeft gedaan.

Na het sepot was nog dossierstudie nodig omdat verzoeker wilde worden voorgelicht over de mogelijkheid van een artikel 12 Sv procedure.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie zich niet verzet tegen toekenning van het verzochte.

De rechtbank acht in dit geval gronden aanwezig die de toekenning van een vergoeding rechtvaardigen. Het verzochte bedrag zal echter enigszins worden gematigd, in verband met het volgende.

Ten tijde van het eerste verhoor door de politie was er nog geen “strafzaak”. Er was wel aangifte gedaan, maar het was nog niet duidelijk of daar ook nog een vervolg op zou komen. In de omstandigheden van dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om desondanks artikel 591a Sv overeenkomstig toe te passen. Het is begrijpelijk dat in een kwestie als de onderhavige, een zedenzaak in een kleine gemeenschap, een verdachte gebaat is bij voortvarend onderzoek. En als dat uitblijft, kan de rechtbank het advies van de raadsman om zelf een verhoor te arrangeren, zeer goed billijken. De gemaakte kosten tot en met 12 september 2016 acht de rechtbank daarom toewijsbaar.

Enige tijdbesteding om zich daarna te informeren over het verloop van de mogelijke vervolging ligt ook in de rede. Dit rechtvaardigt uit een oogpunt van billijkheid echter niet dat de staat alle kosten van de raadsman in deze strafzaak in de periode na 12 september 2016 voor zijn rekening dient te nemen. Ook het onderzoek met betrekking tot een eventueel in te stellen artikel 12 Sv procedure staat in te ver verwijderd verband in het kader van de strafzaak zoals bedoeld in artikel 591a Sv. De rechtbank acht het dan ook niet billijk deze kosten voor vergoeding door de Staat in aanmerking te laten komen. De rechtbank zal verzoeker voor de kosten van de raadsman in de periode van 13 september 2016 tot en met 28 april 2017 een vergoeding toekennen van € 156,20 inclusief btw, uitgaande van een tijdbesteding van 30 minuten.

Voorts zal de rechtbank de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift toekennen.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF