Art. 227b Sr & Wet concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen

Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:781

Aan de verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij op 28 augustus 1996 in strijd met het bepaalde in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht een inlichtingenformulier valselijk heeft opgemaakt door niet te vermelden dat hij over een vermogen beschikte dat hoger was dan het vrij te laten bescheiden vermogen.

Op 27 november 2008 is door de officier van justitie een inleidende dagvaarding ten name van de verdachte uitgebracht - onder meer - ter zake van voormeld feit. Het hof zijn geen eerdere vervolgingshandelingen bekend. Gelet op het voorgaande en ingevolge het bepaalde in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht is het recht tot strafvervolging voor het onder 1 ten laste gelegde vervallen, voor zover het betreft het feit gepleegd op 28 augustus 1996. Het hof zal derhalve het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1 in zoverre niet ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte.
 

Ontvankelijkheid OM feit 2

De advocaat-generaal heeft, zo begrijpt het hof, primair gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard ten aanzien van feit 2 omdat – kort gezegd – de delictsomschrijving is toegesneden op artikel 227b Sr, terwijl op dat moment ook nog de bijzondere overtreding van artikel 141 Algemene Bijstandswet (hierna: Abw) van toepassing was. De verdachte had voor deze lex specialis moeten worden vervolgd. Echter, het recht tot strafvervolging voor dat feit was al verjaard op het moment dat de inleidende dagvaarding op 27 november 2008 werd uitgebracht, zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aan de verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij in de periode vanaf 1 juli 2000 tot en met 13 september 2001 in strijd met het bepaalde in artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht opzettelijk heeft nagelaten benodigde gegevens te verstrekken.

Op 20 januari 2000 is de zogeheten Wet concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen tot stand gekomen. Artikel 227b Sr is een onderdeel daarvan. De strekking van voornoemde wet is om in het Wetboek van Strafrecht een aantal eenvormige strafbepalingen op te nemen met betrekking tot het verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden daarvan in het kader van - kort samengevat - het vaststellen van uitkeringen en overheidssubsidies. In een groot aantal sociale zekerheidswetten, waaronder artikel 141 van de Abw, worden gelijktijdig de desbetreffende strafbepalingen geschrapt.

Bij Besluit van 31 mei 2000 is de wet, partieel, op 1 juli 2000 inwerking getreden. Tot de bepalingen die toen niet in werking zijn getreden behoort artikel XXVIII van de Reparatiewet I waarin, in combinatie met artikel XXX, onder meer artikel 141 van de Algemene bijstandswet valt. Deze wettelijke bepaling is - kennelijk per abuis - van kracht gebleven tot 3 oktober 2001 en heeft derhalve gedurende de periode van 1 juli 2000 tot 3 oktober 2001 naast de nieuwe commune strafbepaling van artikel 227b Sr bestaan.

Het hof is van oordeel dat er gedurende deze periode geen sprake van is geweest dat de strafbepalingen in een wetsystematische specialiteitsverhouding tot elkaar stonden, nu uit het voorgaande volgt dat het juist niet de bedoeling van de wetgever is geweest beide strafbepalingen naast elkaar te laten bestaan. Men wilde immers alle strafbepalingen concentreren in één wet. Er was evenmin sprake van dat artikel 141 Abw een logische specialis ten opzichte van het commune delict vormde aangezien artikel 141 geen delictsomschrijving heeft die is toegesneden op de nieuwe commune strafbepaling van artikel 227b Sr. Er bestond voor de officier van justitie daarom geen verplichting de verdachte te vervolgen voor het bepaalde in artikel 141 Abw.

Het openbaar ministerie beslist over de grondslag en omvang van de vervolging en heeft de verdachte vervolgd voor overtreding van het bepaalde in artikel 227b Sr te beginnen op 1 juli 2008. De verjaringstermijn van deze bepaling bedraagt twaalf jaar. De inleidende dagvaarding ter zake van dit feit is uitgebracht op 27 november 2008 en valt ruim binnen de termijn. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van feit 2.
 

Vrijspraak verweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de genoemde inkomstenverklaringen heeft ondertekend. De verdachte stelt dat hij de verklaringen niet heeft ondertekend en dat hij zelfs niet wist dat deze uitkering was aangevraagd. De raadsvrouw heeft dit nader onderbouwd met hetgeen in haar pleitnotities dienaangaande is opgenomen. Naar de kern samengevat heeft zij aangevoerd dat de handtekeningen van de verdachte op de inlichtingenformulieren naar haar mening niet overeenkomen met de handtekening die in zijn, door de verdachte in 2014 aangevraagde, paspoort staat noch met de handtekeningen op het identiteitsbewijs en rijbewijs, beide daterend uit 2017. Van die documenten zijn kopieën overgelegd. Voorts merkt zij op dat de uitkering werd gestort op de bankrekening van de echtgenote van de verdachte zodat de verdachte ook geen kennis hoefde te hebben van de ontvangsten uit hoofde van deze uitkering.

Het hof verwerpt de stelling van de verdachte dat hij onwetend was van de onderhavige uitkering. Aan deze stelling ligt ten grondslag dat de handtekeningen op de inlichtingenformulieren zodanig afwijken van de handtekeningen op genoemd paspoort, identiteitsbewijs en rijbewijs, dat daaruit geconcludeerd moet worden dat de verdachte de inlichtingenformulieren niet heeft ondertekend. Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat tussen bedoelde handtekeningen kleine verschillen zitten. Echter, dergelijke verschillen zijn bij het zetten van handtekeningen niet ongebruikelijk en de afwijkingen zijn niet van dien aard (mede gelet op het tijdsverloop tussen het zetten van bedoelde handtekeningen) dat dit zou leiden tot de door de raadsvrouw getrokken conclusie.

Hetzelfde geldt voor de handtekeningen die zijn gezet op het aanvraag/inlichtingenformulier zoals ondertekend door de verdachte ondertekend op 26 september 1994, en het inlichtingenformulier dat op 28 augustus 1996 is ondertekend door de verdachte (dossierpagina’s 25 en 35). Alsdan gaat het hof er van uit dat de verdachte zowel het hiervóór genoemde formulier waarmee de aanvraag voor een uitkering is gedaan heeft ondertekend, als de daarop volgende formulieren (waarmee de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt) heeft ondertekend.

Dit oordeel vindt bevestiging in de omstandigheid dat de bijstandsuitkering voor het gezin is aangevraagd in 1994, op een moment dat de verdachte samen met zijn wettige echtgenote en hun kinderen op het adres, stond ingeschreven - zijnde het adres waar de (inlichtingen)formulieren van de GSD iedere maand heen zijn gezonden. Deze formulieren werden maandelijks, ondertekend door twee personen teruggestuurd naar de GSD en het uitkeringsbedrag werd uitgekeerd. Uit de stukken in het dossier blijkt voorts dat de echtgenote van de verdachte op 21 september 2006 heeft verklaard dat haar man de financiële zaken regelde en dat zij daar geen bemoeienis mee had. De formulieren voor de gezinsuitkering werden –zo heeft zij verklaard- door haar man ingevuld, met behulp van haar kinderen. Pas na vertrek van haar man in 2002 heeft de echtgenote zelfstandig een uitkering aangevraagd (proces-verbaal uitkeringsfraude vermogen, doorgenummerd pag. 20 en 13).

Het oordeel vindt voorts bevestiging in de reactie van de verdachte op het onderzoek, tijdens een (huis)bezoek op 16 september 2002 van de afdeling handhaving van de GSD (die onderzoek deed naar de gezinsuitkering van de verdachte) en de verdachte nog in de woning met zijn gezin woonde, en hij tegenover de handhavers niet heeft aangegeven dat hij in het geheel niet op de hoogte was van het bestaan van de uitkering hetgeen bij een dergelijk onderzoek bepaald voor de hand ligt. Kort na dit bezoek heeft de verdachte zich uitgeschreven en is hij geëmigreerd naar Portugal.

Gelet op het voorgaande, ook in onderling verband bezien, staat naar het oordeel van het hof in voldoende mate vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode de gewraakte formulieren mede heeft ondertekend. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

De enkele omstandigheid (door de raadsvrouw naar voren gebracht) dat de uitkering (in ieder geval gedurende enige tijd) is gestort op de bankrekening met nummer rekeningnummer dat op naam van de echtgenote staat, maakt dit oordeel niet anders. Op het aanvraag/inlichtingenformulier dat mede door de verdachte is ondertekend op 26 september 1994 is dit nummer ingevuld als de bankrekening waarop de uitkering gestort kan worden, net zoals op het inlichtingenformulier dat op 28 augustus 1996 is ondertekend door verdachte, zodat de verdachte er blijkbaar, bewust voor gekozen heeft om zijn uitkering op deze bankrekening van zijn (toenmalige) echtgenote te laten storten.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: valsheid in geschrift.
  • Feit 2: in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming.
     

Strafoplegging

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF