Column: Het medeplegen van een culpoos delict - Hofstee vs. Knigge

    

Door Renée Merkus en Samantha Bilgi (van Ardenne & Crince le Roy Advocaten)

De Nijmeegse scooterzaak heeft de gemoederen lange tijd beziggehouden. Een rechtsvraag die naar aanleiding van deze zaak is opgeworpen, is de vraag of voorwaardelijk opzet een zelfstandige voorwaarde is voor het medeplegen van een culpoos delict. Op die vraag zullen wij, na een korte schets van de casus en het verloop van het proces, nader ingaan.
 

De casus

De casus is samengevat als volgt. Twee mannen waren voornemens om samen een gewapende overval te plegen op een hotel in Nijmegen. Zij reden daartoe samen op één (gestolen) scooter naar het betreffende hotel. In de buurt van het hotel zagen zij een onopvallende politieauto. Daarop vluchtten de mannen op de scooter weg. Tijdens de vlucht, waarbij er allerlei verkeersovertredingen plaatsvonden, werd een voetganger aangereden, die ten gevolge daarvan overleed. Wie van de twee mannen de bestuurder van de scooter was en wie de bijrijder, is nooit opgehelderd.
 

Het verloop van het proces

Het gerechtshof Arnhem veroordeelde de twee mannen onder meer voor het voorbereiden van de overval en het voorhanden hebben van de gestolen scooter. Het gerechtshof sprak beide mannen vrij van de feiten die zagen op het aanrijden van de voetganger, namelijk doodslag, dood door schuld in het verkeer (art. 6 WVW) en het veroorzaken van gevaar of hinder in het verkeer (art. 5 WVW). De vrijspraken zijn gebaseerd op het oordeel van het gerechtshof dat niet kan worden bewezen wie van de twee mannen de scooter had bestuurd en dat niet was gebleken dat de samenwerking tussen de twee mannen zich ook uitstrekte over de wijze waarop werd gevlucht. Het OM ging tegen de vrijspraken in cassatie. A-G Knigge concludeerde tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof ten aanzien van de vrijspraken. De Hoge Raad casseerde de beslissingen van het gerechtshof Arnhem en verwees de zaken naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeelde vervolgens beide mannen voor het medeplegen van dood door schuld in het verkeer. Daarop gingen de verdachten in cassatie. A-G Hofstee concludeerde dat het cassatiemiddel dat is gericht tegen de veroordeling voor dood door schuld in het verkeer, faalt. De Hoge Raad liet op 20 februari jl. de veroordelingen voor dood door schuld in het verkeer in stand.
 

Opzet op de delictsgedraging – Hofstee vs. Knigge

De vraag die A-G Hofstee in zijn conclusie opwierp, is of (voorwaardelijk) opzet op de delictsgedraging een zelfstandige voorwaarde is voor het medeplegen van een culpoos delict. Hij beantwoordde die vraag ontkennend. A-G Hofstee stelde voorop dat de medepleger voor wat betreft het bestanddeel van de delictsomschrijving dat door culpa wordt beheerst, de pleger volgt. De culpa van de medepleger dient zich bij het verwijt van art. 6 WVW dan ook uit te strekken over het plaatsvinden van een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood. Daarnaast geldt voor het medeplegen van een culpoos delict dat sprake dient te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Het samenwerkingsopzet brengt volgens A-G Hofstee echter niet mee dat de medepleger van een culpoos delict opzet moet hebben op de delictsgedraging, i.c. de gevaarzettende handelingen. Hij haalde ter onderbouwing van dat standpunt het debat aan dat heeft plaatsgevonden over de vraag of opzet op de delictsgedraging een vereiste is voor het medeplegen van een overtreding en noemde het arrest van de Hoge Raad waarin aan de orde kwam dat voor medeplegen van overtredingen alleen opzet op de samenwerking vereist is. Daaruit leidde hij af dat voor een bewezenverklaring van medeplegen van een overtreding enkel behoeft te worden bezien of kan worden bewezen of bewust is samengewerkt in de fase die direct aan het begaan van de overtreding voorafgaat. Het arrest van de Hoge Raad over het medeplegen van een overtreding opent volgens A-G Hofstee de mogelijkheid om dezelfde redenering toe te passen voor het medeplegen van culpoze delicten. Zijn standpunt illustreerde hij aan de hand van een voorbeeld van twee personen die samen op een aanmerkelijk onvoorzichtig wijze een zwaar voorwerp tillen langs een balustrade, waardoor het voorwerp naar beneden valt en vele verdiepingen lager op het hoofd van een derde persoon terechtkomt. Opzet op de delictsgedraging ontbreekt volgens A-G Hofstee in dit voorbeeld. Wel is er bewust samengewerkt voordat het delict zich manifesteert en is het gevolg aan de schuld van beide personen te wijten. Wij menen dat dit voorbeeld voor de geschetste casus enigszins ongelukkig is omdat in het voorbeeld beide personen ook ‘gewoon’ als pleger kunnen worden aangemerkt nu zij eenzelfde rol hadden en beiden alle delictsbestanddelen vervulden.

A-G Knigge lijkt er in zijn (in 2013 genomen) conclusie juist wel van uit te gaan dat (voorwaardelijk) opzet op de delictsgedraging een zelfstandige voorwaarde is voor het medeplegen van een culpoos delict. Hij stelde namelijk:

“de vraag die het Hof had moeten beantwoorden is veeleer of een overhaaste, en vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid onverantwoorde, vlucht op de scooter bij een onverhoopte betrapping door de politie als een reële mogelijkheid in het plan om het hotel te beroven besloten lag. Als dat het geval zou zijn, kan de bijrijder namelijk geacht worden ten minste voorwaardelijk opzet te hebben gehad op het rijgedrag van de bestuurder (onderstreping door auteurs).[1]

A-G Knigge stelde daarmee dat de bijrijder van de scooter op zijn minst voorwaardelijk opzet op de gedragingen van de bestuurder moet hebben gehad om te komen tot strafrechtelijke aansprakelijkheid van de bijrijder als medepleger. Volgens A-G Knigge heeft de bijrijder in casu voorwaardelijk opzet gehad op de gedragingen van de bestuurder, omdat de vlucht met het bijbehorende rijgedrag niet los dient te worden gezien van het plan om het hotel te overvallen.
 

De Hoge Raad

De Hoge Raad overwoog in zijn meest recente arrest over deze zaak dat het oordeel van het gerechtshof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Het gerechtshof had geoordeeld dat de wijze waarop de verdachte en zijn mededader met de motorscooter zijn gevlucht als zo’n waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in hun eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de overval, dat zij ook wat betreft die vlucht en het daaruit voortvloeiende gevaarlijke rijgedrag en de daarmee verband houdende dood door schuld in het verkeer, zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen. Het gerechtshof had voornoemde formulering overgenomen uit het eerste arrest van de Hoge Raad in deze zaak.
 

Opzet op delictsgedraging vereist?

Zoals aan de orde kwam, lijkt A-G Knigge er in zijn conclusie van uit te gaan dat (voorwaardelijk) opzet op de delictsgedraging een voorwaarde is voor medeplegen van een culpoos delict. A-G Hofstee is juist van oordeel dat dit geen vereiste is. Het verschil zit wellicht in wat A-G Hofstee onder de term ‘delictsgedraging’ verstaat. Als die term wordt uitgelegd als het pure feitelijke handelen (in het voorbeeld van A-G Hofstee het tillen van een voorwerp), dan menen de auteurs dat er wel sprake is van opzet op de delictsgedraging. Als onder ‘delictsgedraging’ wordt verstaan de directe oorzaak (in het voorbeeld van A-G Hofstee het laten vallen van het voorwerp), dan menen de auteurs dat opzet op de delictsgedraging ontbreekt. Als onder ‘delictsgedraging’ wordt verstaan het feitelijke handelen in combinatie met subjectieve elementen (in het voorbeeld van A-G Hofstee het aanmerkelijk onvoorzichtig tillen van dat voorwerp), dan ontbreekt opzet op de delictsgedraging eveneens.

In de literatuur over dit onderwerp heeft Postma[2] aangevoerd dat de overweging van de Hoge Raad in het eerste arrest zich zowel laten interpreteren als een impliciete eis van voorwaardelijk opzet, als een causaliteitseis. Postma kwam daarom tot de slotsom dat ook na het eerste arrest van de Hoge Raad in de Nijmeegse scooterzaak niet met zekerheid te zeggen is welke eisen worden gesteld aan het verband tussen de samenwerking en feitelijke delictsgedraging. De Hoge Raad gaat in het tweede arrest helaas niet in op de redenering van A-G Hofstee en de consequentie daarvan. Daardoor blijft de vraag hoe de Hoge Raad tegen deze redenering aankijkt helaas in de lucht hangen.

 

 

 

 

Voetnoten
 

 

[1] Conclusie A-G Knigge 29 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1080 onder 3.21. A-G Knigge stelt dit in het kader van de (vanwege de regels van de cassatierechtspraak) opgeworpen vraag of de vrijspraak voor art 5 WVW toereikend is gemotiveerd. Art. 5 WVW betreft een overtreding en niet een culpoos delict. Als A-G Knigge voor medeplegen van een overtreding reeds opzet op de delictsgedraging vereist acht, dan is er geen reden om aan te nemen dat hij opzet op de delictsgedraging voor het medeplegen van een culpoos delict niet vereist acht.
 

[2] A. Postma, ‘De Nijmeegse scooterzaak: het verband tussen samenwerking en delictsgedrag’, TPWS 2014/34.

    

Print Friendly and PDF