Afvalstoffen, toepasselijkheid van EU-verordening 333/2011; Er is thans sprake van nadere, specifieke eisen waaraan voldaan moet zijn wil niet langer sprake zijn van afval en ten tijde van het aan verdachte tenlastegelegde feit nog niet voldaan hoefde te zijn, er kan aldus geen sprake zijn van een gunstiger wettelijk voorschrift waarop verdachte zich kan beroepen


Rechtbank Maastricht 13 juni 2012, LJN BW8272
Zie ook LJN BW8270

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij al dan niet opzettelijk (met een vrachtauto), (een) bedrijfsafvalstof(fen) en/of (een) gevaarlijke afvalstof(fen), te weten metaalafval, voor (een) ander(en) tegen vergoeding heeft vervoerd, zonder vermelding als vervoerder op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.

De raadsman heeft aangevoerd dat met de inwerkingtreding van de EU-verordening 333/2011 het door de verdachte vervoerde product niet langer als afvalstof moet worden gezien nu dit voldoet aan alle bepalingen in deze verordening.

De economische politierechter overweegt ter zake als volgt.

Op 31 maart 2011 heeft de Raad van de Europese Unie vastgesteld Verordening 333/2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad. Deze verordening is op grond van art. 7 in werking getreden op 20 april 2011 en is van toepassing met ingang van 9 oktober 2011.

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen is op grond van art. 42 in werking getreden op 9 december 2008. Op grond van art. 40 dienen de lidstaten op 12 december 2008 te voldoen aan de in de richtlijn. Met ingang van die datum wordt ingevolge art. 41 ingetrokken Richtlijn 2006/12/EG.

Nu het aan verdachte verweten feit is gepleegd op 22 april 2009 dient de economische politierechter de vraag te beantwoorden of thans sprake is van een situatie als bedoeld in art. 1, tweede lid, Sv op grond waarvan bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. Deze te beantwoorden vraag spitst zich toe op de vraag of de door verdachte vervoerde metaalresten als gevolg van het Europees recht als afval moeten worden gekwalificeerd. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, doet zich naar het oordeel van de economische politierechter een situatie als bedoeld in art. 1, tweede lid, Sv voor en moet daaraan de consequentie worden verbonden dat een wezenlijk bestanddeel van de tenlastelegging niet kan worden beantwoord.

De economische politierechter stelt voorop dat ten tijde van het ten laste gelegde feit Richtlijn 2008/98/EG van toepassing was, waarin criteria zijn opgenomen op grond waarvan moet worden bepaald of sprake is van een afvalstof. Namens verdachte is niet bestreden dat onder de werking van die richtlijn verdachte inderdaad afvalstoffen vervoerde.

Het verweer dat de economische politierechter thans dient te beoordelen rust op de aanname dat als gevolg van de inwerkingtreding van Verordening 333/2011 geen sprake meer is van afval nu de door verdachte vervoerde metalen vallen binnen de daartoe in de verordening benoemde criteria. Het verweer sluit daarmee aan bij het zogenaamde criterium van de einde-afvalfase ('end of waste') zoals dat is opgenomen in art. 6 van Richtlijn 2008/98/EG.

art. 6, eerste lid, aanhef, van Richtlijn 2008/98/EG bepaalt dat sommige specifieke afvalstoffen niet langer afvalstoffen in de zin van art. 3, punt 1), zijn wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder bepaalde voorwaarden. Reeds uit de aanhef van deze bepaling volgt dat op de enkele grondslag van deze Richtlijn niet kan worden bepaald of in casus sprake is van een einde-afvalfase. Daartoe moet immers zijn voldaan aan nadere, specifieke criteria.

Deze specifieke criteria zijn voor metaalschroot opgenomen in Verordening 333/2011. Art. 3 bevat de cumulatieve criteria op grond waarvan dient te worden bepaald of ijzer- en staalschroot, waartoe het door verdachte vervoerde materiaal moet worden gerekend, al dan niet als afval heeft te gelden. Onder d) is hier bepaald dat de producent moet hebben voldaan aan de voorschriften van de artt. 5 en 6. In deze artikelen zijn voorschriften opgenomen die tot aan het moment van inwerkingtreding van de verordening niet golden en die thans eisen dat de producent of importeur voor elke zending metaalschroot een zogenaamde conformiteitsverklaring opstelt en deze overdraagt aan de houder van het metaalschroot (art. 5, eerste en tweede lid) én een kwaliteitsbeheersysteem invoert waarmee kan worden aangetoond dat is voldaan aan de criteria in art. 3 (art. 6, eerste lid).

Het is om deze reden dat thans sprake is van nadere, specifieke eisen waaraan voldaan moet zijn wil niet langer sprake zijn van afval en ten tijde van het aan verdachte tenlastegelegde feit nog niet voldaan hoefde te zijn, er geen sprake kán zijn van een gunstiger wettelijk voorschrift waarop verdachte zich kan beroepen.
Het verweer wordt verworpen.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF