Afdeling bestuursrechtspraak vraagt aanvullende conclusie over gevolg van geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft aan staatsraad advocaat-generaal Snijders gevraagd om een aanvullende conclusie te nemen over het vertrouwensbeginsel. Het gaat om een aanvulling op zijn eerdere conclusie van augustus 2024. Daarin overwoog de advocaat-generaal dat iemand recht heeft op vergoeding van zogenoemde dispositieschade als die heeft vertrouwd op een toezegging van een bestuursorgaan, maar dat bestuursorgaan dat vertrouwen niet kan honoreren en aan andere, zwaarder wegende belangen voorrang geeft.

Aanleiding

De grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak kwam in de zaak die tot de conclusie van augustus 2024 leidde, uiteindelijk tot het oordeel dat er geen sprake was van een opgewekt vertrouwen. Om die reden kwam de grote kamer niet toe aan de toepassing van de aanbevelingen uit de conclusie in een concrete rechtszaak. Daarom vraagt de voorzitter advocaat-generaal Snijders nu om zijn eerdere conclusie alsnog toe te passen op een andere rechtszaak.

Gerechtvaardigde verwachting

Deze nieuwe zaak gaat onder andere om een dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft opgelegd aan een bedrijf. Het bedrijf heeft woningen gebouwd en heeft daarbij het binnenterrein gebruikt voor de aanleg van parkeerplaatsen. Volgens het college zijn de parkeerplaatsen in strijd met het bestemmingsplan. In een eerste tussenuitspraak oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat het college bij het bedrijf gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het binnenterrein als parkeerterrein mocht worden gebruik en dat het college daartegen niet zou optreden. De Afdeling bestuursrechtspraak droeg het college op om een nieuw besluit te nemen. Als het college bij zijn besluit tot handhaving zou blijven, moest het nagaan of er aanleiding was om schade die het bedrijf als gevolg van het gewekte vertrouwen heeft geleden, te vergoeden. Het college liet weten bij zijn dwangsombesluit te blijven en dat het bedrijf bij eventuele schade een onderbouwd verzoek om schadevergoeding kon indienen. Ook dat besluit vond de Afdeling bestuursrechtspraak niet voldoende gemotiveerd. Een tweede tussenuitspraak volgde. In het besluit dat het college nam ter uitvoering van de opdracht in die tussenuitspraak staat dat het dwangsombesluit in stand blijft. Ook vindt het college dat er geen causaal verband is tussen de door het bedrijf gestelde schade en het gewekte vertrouwen. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak vraagt de staatsraad advocaat-generaal nu om te beoordelen wat zijn eerdere conclusie betekent voor de bepaling van de schadevergoeding in deze zaak.

Verdere verloop van de procedure

Een grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelt deze rechtszaak met zaaknummer 202306264/3 opnieuw op maandag 23 maart 2026 op een zitting. Een grote kamer bestaat uit vijf staatsraden. Na deze zitting heeft de staatsraad advocaat-generaal zes weken de tijd om een conclusie te nemen. Partijen die bij deze zaak zijn betrokken, krijgen vervolgens de gelegenheid om daarop schriftelijk te reageren. Daarna zal de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak doen in deze zaak.

Print Friendly and PDF ^