Adviescommissie strafrecht NOvA over de Wbnv: bulkgegevens, AI, toezicht en rechtsbescherming van geheimhouders

De wetgevingsadviescommissie strafrecht van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) heeft op 8 oktober 2026 een advies uitgebracht over het conceptwetsvoorstel voor de Wet bescherming nationale veiligheid door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wbnv). Het wetsvoorstel moet de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) vervangen, en daarnaast de Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen. Het voorstel heeft tot 11 oktober 2026 in internetconsultatie gelegen. In een nieuwsbericht van 13 oktober 2026 vat de NOvA haar standpunt samen. Volgens dat bericht biedt het voorstel onvoldoende balans, omdat de diensten meer ruimte krijgen terwijl het toezicht op hen wordt beperkt. Het advies bespreekt negen kernpunten. Die gaan over de verzameling en bewaring van bulkgegevens, de aanwijzing van zogeheten evidente opponenten, de hackbevoegdheid, het gebruik van automatisering en AI, de mandatering van bevoegdheden, de rechtsbescherming van advocaten en journalisten en de inrichting van het nieuwe College van Toetsing en Toezicht. Als positief punt noemt de commissie de aanvullende bescherming van onvoorzien vergaarde gegevens van advocaten en journalisten.

Aanleiding en voorgeschiedenis volgens het advies

De commissie verwijst als aanleiding voor het advies naar een gezamenlijke brief van 10 december 2024 van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Die brief ging over het risico van sfeervermenging tussen nationale veiligheid en opsporing in onderzoeken van de AIVD naar criminele netwerken. Tegen die achtergrond acht de commissie het passend om te adviseren, mede gelet op de artikelen 119 en 133 Wbnv. Artikel 119 regelt de verstrekking van gegevens door de diensten aan het Openbaar Ministerie via een ambtsbericht.

Het advies schetst de voorgeschiedenis van de wet. In het raadgevend referendum van 21 maart 2018 stemde 49 procent tegen de Wiv 2017. Daarna volgden beleidsregels en een wetswijziging uit 2021, die onder meer vastlegde dat de diensten gegevens zo gericht mogelijk moeten verzamelen. Volgens de commissie heeft de Tijdelijke wet, in werking sinds 2024, die beperking voor een groot deel ongedaan gemaakt. Ook verviel daarbij voor bepaalde vormen van verkennend onderzoek de voorafgaande toestemming van de TIB. De commissie vindt dat de wetgever deze ontwikkeling bij de beoordeling van de Wbnv moet betrekken.

Gerichtheid en bewaartermijnen van bulkgegevens

Het eerste kernpunt gaat over het vervallen van het vereiste dat onder meer het tappen van bulkgegevens via de kabel zo gericht mogelijk gebeurt. Volgens de commissie noemt de memorie van toelichting het referendum maar één keer, bij de voorgeschiedenis van de wet. In paragraaf 5.2.1.4, waar het vervallen van het gerichtheidsvereiste wordt toegelicht, komt het referendum niet terug. De commissie vraagt om uitdrukkelijke aandacht voor de vraag welk gewicht de referendumuitslag moet krijgen.

Het tweede punt betreft de bewaartermijnen. Onder artikel 27 Wiv 2017 moest bulkdata die met bijzondere bevoegdheden was verkregen binnen een jaar op relevantie worden beoordeeld of worden vernietigd. Artikel 105 Wbnv voert voor bulkdata die niet via bulkinterceptie is verkregen een bewaartermijn van drie jaar in, die telkens met drie jaar kan worden verlengd. Artikel 106 Wbnv bepaalt dat bij elke verlenging moet worden beoordeeld of een deel van de dataset kan worden verwijderd. De commissie wijst erop dat de memorie van toelichting de nieuwe regeling onderbouwt met het argument dat beoordeling van afzonderlijke gegevens onuitvoerbaar is gebleken. Volgens de commissie is daarom niet goed te begrijpen hoe zo’n reductie dan wel uitvoerbaar is. Zij verwijst naar het risico dat uit afzonderlijke datapunten een mozaïekbeeld ontstaat van het privéleven van burgers die geen onderwerp van onderzoek zijn.

Evidente opponenten en toebehorende personen

Paragraaf 4.6 Wbnv regelt de aanwijzing van organisaties met offensieve doelen en activiteiten, in de memorie van toelichting ook evidente opponenten genoemd. De minister wijst zo’n organisatie aan, waarna het nieuwe College van Toetsing en Toezicht (CTT) de aanwijzing vooraf toetst. Daarna kunnen de diensten op grond van artikel 58 Wbnv veel bevoegdheden inzetten met toestemming van het hoofd van de dienst, zonder voorafgaande toetsing per inzet. Dat geldt ook tegenover natuurlijke personen die de diensten als toebehorend aan zo’n organisatie aanmerken.

Volgens de commissie omschrijft de memorie van toelichting deze groep ruim. Zij noemt daarbij dat ook onwetende betrokkenen kunnen worden aangemerkt, en dat het gebruik van een bepaalde techniek daarvoor voldoende kan zijn. De commissie verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder Yüksel Yalçınkaya t. Turkije (nr. 15669/20). Daaruit volgt volgens haar dat het gebruik van een bepaalde versleutelingstechniek onvoldoende is om iemand als deelnemer aan een staatsgevaarlijke organisatie aan te merken. Het aanmerken van personen valt onder het bindend toezicht van het CTT (artikel 188 lid 1 in samenhang met artikel 58 lid 4 Wbnv). De commissie stelt dat de memorie van toelichting op verschillende plaatsen naar een uitwerking van dat toezicht verwijst, maar dat die uitwerking nergens te vinden is.

Hackbevoegdheid en artikel 97 Wbnv

De Wbnv vervangt de voorafgaande toestemming van de toetsingscommissie voor de inzet van de hackbevoegdheid door een toestemming die pas nodig is wanneer een hack leidt tot het overnemen van gegevens of het aanbrengen van voorzieningen (artikel 47 in samenhang met de artikelen 76 tot en met 78 Wbnv). De commissie erkent dat hacken een dynamisch proces kan zijn. Zij merkt wel op dat de regeling bij het verkrijgen van communicatie-bulkgegevens mogelijk niet voldoet aan de vereisten uit EHRM 25 mei 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0525JUD005817013 (Big Brother Watch e.a. t. het Verenigd Koninkrijk). Die uitspraak vraagt om waarborgen in alle fasen van het proces, de zogenoemde end-to-end safeguards.

Over artikel 97 Wbnv, de opvolger van artikel 73 Wiv 2017, schrijft de commissie dat over de reikwijdte van deze bevoegdheid al lang onduidelijkheid bestaat. Ook de CTIVD en de Commissie-Dessens hebben eerder aangedrongen op nadere inkadering. De commissie adviseert de reikwijdte te verduidelijken en te overwegen of voor de inzet voorafgaande toestemming van het CTT nodig moet zijn.

Automatisering en AI

Volgens de commissie zijn in paragraaf 3.5 Wbnv vrijwel alle waarborgen uit de Wiv 2017 over geautomatiseerd onderzoek verdwenen. Daaronder valt ook het gebruik van AI. Artikel 50 Wiv 2017 bevatte voorwaarden voor geautomatiseerd onderzoek aan getapte bulkgegevens. Artikel 60 lid 3 Wiv 2017 verbood maatregelen tegen een persoon die uitsluitend op geautomatiseerde resultaten berusten. Artikel 36 Wbnv sluit volgens het advies alleen nog uit dat de bevoegdheid van artikel 97 op die basis tegen een natuurlijk persoon in de fysieke wereld wordt ingezet. Verder sluit het artikel uit dat gegevens aan derden zoals het Openbaar Ministerie worden verstrekt zonder menselijke inbreng.

Over die menselijke inbreng merkt de commissie op dat de memorie van toelichting alleen zegt dat deze kan bestaan uit het verifiëren van de geautomatiseerde resultaten. Volgens de commissie laat dat ruimte voor een ambtsbericht aan het Openbaar Ministerie op grond van artikel 119 Wbnv zonder menselijke verificatie. Zij wijst op Verordening (EU) 2024/1689, de Artificial Intelligence Act (AI-verordening). Op grond van artikel 2 lid 3 is die verordening in beginsel niet van toepassing op nationale veiligheid. Overweging 24 bepaalt echter dat een AI-systeem onder de verordening valt zodra het voor andere doeleinden wordt gebruikt, zoals rechtshandhaving. De commissie verbindt dat met artikel 14 lid 5 in samenhang met bijlage III van de verordening, dat verificatie door ten minste twee gekwalificeerde natuurlijke personen voorschrijft. Volgens haar besteedt de memorie van toelichting geen aandacht aan de mogelijke toepasselijkheid van de verordening bij verstrekkingen op grond van de artikelen 118 tot en met 122 Wbnv.

Tot slot wijst de commissie op aanbeveling 32 sub d van de Evaluatiecommissie Wiv 2017. Die aanbeveling vraagt om een inspanningsverplichting om gegevens van journalisten, advocaten, klokkenluiders en dissidenten vooraf te filteren voordat ongeëvalueerde bulkdata met buitenlandse diensten wordt gedeeld. Volgens het advies kondigde de regering in de hoofdlijnennotitie aan dat aanbeveling 32 volledig zou worden overgenomen. In het conceptwetsvoorstel heeft de aanbeveling echter geen navolging gekregen.

Mandatering en het delen van bulkgegevens

Paragraaf 3.4 Wbnv maakt mandatering en ondermandatering mogelijk van de beslissing om vrijwel alle bevoegdheden in te zetten, met uitzondering van een aantal bevoegdheden die in artikel 27 Wbnv worden genoemd. De commissie sluit zich aan bij de reactie van CTIVD en TIB. Volgens die reactie wordt de inzet van bevoegdheden minder objectief en kritisch beoordeeld naarmate de besluitvorming dichter bij de operatie plaatsvindt. Ook de toestemming om ongeëvalueerde bulkdata te delen met diensten waarmee een samenwerkingsrelatie bestaat, kan onder de Wbnv worden ondergemandateerd. De commissie stelt dat dit afwijkt van aanbeveling 10 van de Evaluatiecommissie, die volgens de hoofdlijnennotitie zou worden overgenomen. Alleen voor diensten waarmee nog geen samenwerkingsrelatie bestaat, blijft instemming van de minister zelf vereist.

Rechtsbescherming van advocaten en journalisten

Niet voldoen aan een gegevensvordering of medewerkingsplicht is strafbaar gesteld in artikel 233 Wbnv, met gevangenisstraf als strafbedreiging. Gaat het om verschoningsgerechtigde informatie van advocaten of journalisten, dan is net als onder artikel 30 Wiv 2017 toestemming nodig van de rechtbank Den Haag (artikel 43 Wbnv). Nieuw is dat artikel 217 Wbnv de minister een niet-openbaar beroep opent bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als de rechtbank die toestemming weigert. Die mogelijkheid geldt niet voor de advocaat, de journalist of een derde met een afgeleide geheimhoudingsplicht. Het advies noemt als voorbeeld de cloudprovider van een advocatenkantoor. De commissie adviseert dezelfde beroepsprocedure open te stellen voor deze geheimhouders, in ieder geval wanneer op niet-voldoening gevangenisstraf staat.

Daarnaast stelt de commissie dat de Wbnv geen afzonderlijke regeling bevat voor overheidsorganisaties die de diensten als informant toegang geven tot bulkgegevens. Die situatie valt nog onder de algemene informantenregeling van artikel 64 Wbnv. Met de Evaluatiecommissie, de CTIVD en de TIB vindt de commissie een eigen wettelijke grondslag met passende waarborgen gerechtvaardigd. Zij verwijst daarbij naar de eisen die het EHRM stelt aan de kwaliteit van wetgeving over het verkrijgen van bulkgegevens.

Toezicht door het College van Toetsing en Toezicht

In het slotdeel van het advies gaat de commissie in op het toezicht. De Wbnv brengt de taken van de CTIVD en de TIB onder bij één College van Toetsing en Toezicht. Artikel 164 Wbnv houdt de afdelingen toestemming en toezicht organisatorisch gescheiden. Volgens de commissie maakt die scheiding van informatieposities effectief end-to-end toezicht moeilijker. Zij wijst op de verschuiving van toetsing vooraf naar toezicht tijdens de inzet. Artikel 47 Wbnv schrijft voor minder bevoegdheden voorafgaande toetsing voor dan nu het geval is. Uit artikel 180 Wbnv blijkt volgens het advies niet dat de diensten de toezichthouder doorlopend en uit eigen beweging moeten informeren.

Over de samenstelling merkt de commissie op dat de afdeling toetsing uit twee leden bestaat, tegenover drie leden bij de TIB, en dat een verzoek om toestemming in beginsel door één lid wordt behandeld. Ook de afdeling toezicht bestaat uit twee leden, en beslissingen van de afdeling klachtbehandeling worden in beginsel door één lid genomen in plaats van door drie. Verder bepaalt het nieuwe artikel 48 lid 3 Wbnv dat de afdeling toestemming haar oordeel alleen mag baseren op de gegevens die de diensten bij het verzoek aanleveren. De commissie werpt de vraag op of dit nog voldoet aan de eisen die het EHRM in Weber en Saravia t. Duitsland (nr. 54934/00) aan effectief toezicht stelt. Zij vraagt zich ook af hoe de Afdeling bestuursrechtspraak in hoger beroep zal oordelen over een weigering die op eigen wetenschap van de afdeling toestemming berust.

Bescherming van vertrouwelijke gegevens

Als positief punt noemt de commissie artikel 100 Wbnv. Artikel 27 Wiv 2017 zag alleen op vertrouwelijke communicatie tussen een advocaat en zijn cliënt die met bijzondere bevoegdheden was vergaard. Artikel 100 Wbnv bepaalt dat vertrouwelijke gegevens van advocaten en journalisten die als bijvangst zijn verkregen, met bijzondere of algemene bevoegdheden, in beginsel direct worden vernietigd. Verdere verwerking is alleen mogelijk met toestemming van de rechtbank Den Haag. Volgens de commissie is het juist dat deze gegevens een vast beschermingsniveau krijgen, ongeacht of de verzameling voorzien was.

Afsluiting

Het advies van de wetgevingsadviescommissie strafrecht is gericht aan de algemene raad van de NOvA, die het standpunt op 13 oktober 2026 bekendmaakte. De internetconsultatie van de Wbnv is op 11 oktober 2026 gesloten. Naast de NOvA en de gezamenlijke reactie van CTIVD en TIB reageerde ook de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij brief van 8 oktober 2026 aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Na verwerking van de consultatiereacties volgen advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State en indiening bij de Tweede Kamer. De parlementaire behandeling moet nog plaatsvinden. raadvanstate

Klik hier voor het volledige advies van de NOvA.

Print Friendly and PDF ^