Aanvraag tot herziening, "een minder zware strafbepaling"

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX9496 De aanvraag tot herziening steunt mede op de stelling dat de tegenstrijdigheid tussen het rechterlijk oordeel betreffende de aanvrager enerzijds en het rechterlijk oordeel betreffende zijn mededader anderzijds grond vormt voor herziening.

Daartoe wordt aangevoerd dat de mededader onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, terwijl aanvrager, wiens rol aanzienlijk minder is, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden.

De Hoge Raad overweegt dat het aangevoerde niets behelst wat kan worden aangemerkt als een beroep op een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat - ware dit gegeven bekend geweest - het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepassing van een minder zware strafbepaling.

Daarbij merkt de Hoge Raad op dat onder "een minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder valt niet de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF